Mattijs Glas


Lees, alvorens de recensies te lezen,
eerst eens het volgende mooie citaat over
leesgenot...



Brief van Niccolo Machiavelli aan Francesco Vettori, 1 december 1513

-

"Maar 's avonds keer ik terug naar huis en ga ik mijn studeervertrek binnen. Bij de deur ontdoe ik me van mijn kleren van alledag die vol modder en smurrie zitten, en ik steek me in een koninklijk en rijk gewaad. En als ik me dan zo passend heb aangekleed, treed ik binnen in de gemeenschap van grote mannen uit de Oudheid, door wie ik liefdevol ontvangen word en bij wie ik het voedsel tot mij neem dat in feite het enige voedsel is waarvoor ik op de wereld ben gekomen. Ik schaam me dan niet met hen te spreken en naar het motief van hun daden te vragen. En in hun goedwillendheid geven zij mij antwoord. En vier uur lang voel ik geen enkel verdriet, vergeet ik al mijn zorgen, heb ik geen angst voor de armoede en wordt ik niet verontrust door de dreiging van de dood: met hart en ziel geef ik me aan hen over."


Geciteerd in:
Frans van Dooren, 'Het leven van Machiavelli', in: Niccolo Machiavelli, (2000) De heerser. (Vertaling en toelichting Frans van Dooren.) Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, p. 25.


Index:

- NIEUW | STINE JENSEN - ECHTE VRIENDEN | (2011)

- Film - Buried - (2010)
- Paul Cliteur - Het monotheïstisch dilemma
- Menno Lievers - De val van Hippocrates
- Joep Dohmen & Jan Baars - De kunst van de ouder worden: De grote filosofen over ouderdom
- Margriet Sitskoorn - Passies van het brein: Waarom zondigen zo verleidelijk is
- Antjie Krog - Hoe zeg je dat
- A.K. Doxiades & C.H. Papadimitriou - Logicomix: Een epische zoektocht naar de waarheid
- James Watson - The Double Helix
- Richard Dawkins - The Greatest Show on Earth: The Evidence for Evolution
- Daniel Tammet - Embracing the wide sky: A tour across the horizons of the human mind
- Michel Houellebecq & Bernard-Henri Lévy - Publieke vijanden: Een steekspel in brieven
- Alan Sokal & Jean Bricmont - Intellectual impostures: Postmodern philosophers' abuse of science
- Michel Onfray - De kunst van het genieten: Pleidooi voor een hedonistisch materialisme
- J.J. Rousseau - Vertoog over de ongelijkheid
- Epicurus - Over de natuur en het geluk

- Wim van de Grind - Natuurlijke intelligentie
- Joep Dohmen - Het leven als kunstwerk: Essay voor de maand van de Filosofie 2008
- Geannoteerde leeslijst van boeken over darwinisme
- Rutger Kopland - Toen ik dit zag
- Georges Perec - Ruimten rondom
- Owen J. Flanagan - Self expressions: Minds, morals and the meaning of life
- Oliver Sacks - An anthropologist on mars
- Luigi Pirandello - One, no one and one hundred thousand (Iemand, niemand en honderdduizend)
- William Styron - Darkness visible: A memoir of madness
- Piet Vroon - Prutswerk: Veertig klachten aan de schepper
- William S. Burroughs & Jack Kerouac - And the hippos were boiled in their tanks
- Andy Clark - Being there: Putting brain, body and world together again
- Richard Dawkins - Unweaving the rainbow: Science, delusion and the appetite for wonder
- Francis Crick - The astonishing hypothesis: The scientific search for the soul
- David Hume - An enquiry concerning human understanding
- Nicholas Everett & Alec Fisher - Modern epistemology: A new introduction
- Jack Kerouac - The scripture of the golden eternity




GENOVESIAANSE MEDIA

Stine Jensen – Echte Vrienden: Intimiteit in tijden van Facebook, GeenStijl en Wikileaks
(Essay voor de Maand van de Filosofie 2011)
Amsterdam: Lemniscaat (2011)


plaatje 'Ontvrienden' was het woord van het jaar 2009. Het woord van het jaar 2010 was 'gedoogregering', maar had evengoed ook 'Wikileaks' kunnen zijn. Nieuwe media, en in het bijzonder de Social media krijgen veel aandacht in de pers... and rightly so. Het beheerst namelijk ons leven, althans, dat lijkt Stine Jensen ons te willen doen geloven, blijkens Echte Vrienden, het door haar geschreven Essay van de Maand van de Filosofie.

Het thema van de Maand van de Filosofie, die vrijdag 1 april van start gaat, is Het Echte Leven. Stine pakt dat thema op door in te gaan op wat steeds meer ons echte leven aan het worden is, dat wil zeggen, het zorgvuldig geregisseerde portret dat wij binnen de online media over onszelf proberen te schetsen. Volgens Stine is het verstandig om ons intieme kapitaal maar heel selectief bloot te geven, en daaruit rijst natuurlijk de vraag hoe 'echt' vriendschappen kunnen zijn die op een dergelijke selectieve blootgave zijn gebaseerd.

Filosofische verdienste

De voornaamste filosofische verdienste van dit boek is de introductie van het door haar bedachte nieuwe begrip 'intiem kapitaal', waarmee ze waardevolle persoonlijke informatie bedoelt, zoals bijvoorbeeld over je relatie, je lichamelijke gesteldheid of je psychische gezondheid. Een analyse van onze omgang met intiem kapitaal vind Stine van groot belang omdat de social media ons vlezige leven langzaam lijken te vervangen:

“Facebook is geen kopie van het echte leven, Facebook vervangt het echte leven. Het is een soort bruin café waar je als je zin hebt even kunt aanschuiven.” (p. 27)

En:

“Het is niet zo dat wij, door al ons gefacebook, gemail en getwitter niet meer aan het 'echte leven' toekomen. Het is eerder andersom. Het praktische leven is een korte onderbreking van ons online-bestaan. Daar gebeurt het allemaal. Daar stroomt het nieuws binnen, de meningen, de statusupdates. Daar ben je onmisbaar.”

En omdat wij weten dat wat wij aldaar schrijven door een groot en breed publiek gelezen gaat worden, en wij ijdele dieren zijn, kunnen we niet anders dan (al dan niet onbewust) stil te staan bij de informatie die wij op sociale netwerken delen. Dat je je arm hebt gebroken is informatie die boeit en ongevaarlijk is, en daardoor makkelijk te delen. Dat je je arm brak omdat je met je dronken kop op een snelweg aan het fietsen was is iets waar je je waarschijnlijk iets meer voor schaamt, en aldus een feitje dat je minder gemakkelijk op je Wall schrijft. Dat zou namelijk neerkomen op het met grote letters op je voorhoofd schrijven van de tekst: 'IK BEN EEN STOMME MONGOOL'.

Vervaging van het echte

Ondanks het feit dat Stine haar man via Facebook gevonden heeft, smult van het intieme kapitaal dat anderen online gooien, en graag geniet van de leuke en grappige dingen die ze op die manier vind, is ze overwegend negatief over Facebook en soortgelijke media.

Facebook vervangt langzaam ons echte leven, de intieme informatie die wij online delen maakt ons kwetsbaar voor misbruik door grote bedrijven (Facebook zelf!) en de overheid, de facebooker komt zelf niet buiten, maar kijkt mijmerend uit zijn raam terwijl hij zijn mening over het weer op zijn wall post, de digitalisering zorgt voor een oppervlakkige cultuur, Facebook draait uitsluitend om 'nuttige' of 'plezierige' vriendschappen, op Facebook tref je geen echt goede discussies aan.

Waar Stine zegt dat onze online sociale contacten het echte leven beginnen te vervangen heeft ze natuurlijk ongelijk. Iedereen die alles op een rijtje heeft kent het verschil tussen 'echte vrienden' en Facebook-vrienden, dat is juist de reden dat we ons intieme kapitaal selectief delen. Bijna al mijn echte vrienden zijn ook Facebook-vrienden, maar niet al mijn Facebook-vrienden zijn mijn echte vrienden, daar blijft een groot verschil tussen. Velen begonnen met Facebook omdat het internationaal is (in tegenstelling tot het bekrompen Hyves) en ze zo contact met overzeese kennissen konden houden. Met die kennissen hangen we echter niet wekelijks op de bank, en staan we niet elke vrijdag in de kroeg. En op de bank en in de kroeg delen we natuurlijk pas onze echte intimiteiten.

Echt onecht en onecht onecht

Het onderscheid tussen 'echt' en 'onecht' of 'digitaal' dat Stine de eerste 90% van haar boek hanteert is een conflatie. Ze verwart twee dingen. In de eerste plaats is er het echte dat je kunt onderscheiden van een (al dan niet slechte) kopie van het echte origineel. Zo is het geluid afkomstig van een voor je neus bespeelde houten piano echt pianogeluid. Het geluid dat uit je speakers komt als je een door Ivo Pogorelich ingespeelde CD van de sonaten van Scarlatti draait is digitaal pianogeluid, en daardoor onecht in die zin dat dát geluid slechts een benadering van het originele live-geluid kan zijn.

In de tweede plaats is er het echte in tegenstelling tot het digitale, maar waar er geen onderscheid in praktische zin gemaakt kan worden. Zo zijn Pim-Pam-Pet en poker echte spelletjes. Quake en online-pokeren zijn digitale spelletjes maar daardoor zeker niet minder echt, ze spelen zich gewoon op een ander medium af.

Waar Stine dus stelt dat social media het echte leven vervangt, verwart ze het eerste ('echte') onderscheid tussen echt en onecht met het tweede ('onechte') onderscheid tussen echt en onecht. Een gesprek via Facebook is even echt (of, natuurlijk, even onecht) als een discussies aan de bar, alhoewel ze zich natuurlijk via andere media afspelen. Het is ironisch dat er al een ouder onderscheid tussen analoge en digitale communicatie bestaat. De Oostenrijkse psycholoog Paul Watzlawick omschreef gesproken woorden als 'digitale' communicatie, en de daarbij behorende (maar er niet onlosmakelijk mee verbonden) non-verbale communicatie 'analoog'. Een gesprek via Facebook, Whatsapp of Google Talk is precies in díe zin digitaal omdat zo'n gesprek inderdaad de analoge communicatie mist, vandaar ook dat men ooit smiley's uitvond, een gesprek zonder analoge communicatie leidt snel tot misverstanden.

Stine weet bovenstaande (ze legt het echter anders uit) donders goed, want twee pagina's voor het einde van het essay geeft ze inderdaad aan dat we het verschil tussen het echte en het onechte beter kunnen laten varen. Waarvan akte.

Negatief, al te negatief

Stine's negatieve, al te negatieve opvattingen over sociale media zijn op sommige punten echter bijzonder onaannemelijk. Zo schetst ze de situatie van een facebooker die op haar Wall postte dat ze zelfmoord ging plegen (p. 41), en daar gewoon 'mee weg kwam.' Niemand greep in of kwam haar te hulp. Stine: 'Met 1048 vrienden denk je wellicht gemakkelijker: dat zaakje knapt een ander wel op.'

Daar valt natuurlijk een andere mooie anekdote tegenover te stellen, maar het valt efficiënter te ontkrachten. Wat Stine hier beschrijft wordt in de psychologie beschreven als het Bystander Effect, waar het aantal omstanders negatief gecorreleerd is aan het aantal personen dat ingrijpt. Dit fenomeen wordt ook wel het Genovese Effect genoemd, naar Kitty Genovese die in 1964 werd doodgestoken. Achteraf legden 38 personen een getuigenverklaring af. Niemand had echter ingegrepen. Kortom: Stine beschrijft hier een situatie die niet met social media te maken heeft, maar met groepsprocessen in hun algemeenheid.

Tegenspraak

Elders in haar essay maakt Stine zich schuldig aan een blatante tegenspraak. Eerst stelt ze dat je op Facebook geen echt goede discussies aan kunt treffen (p. 51), om vervolgens te schrijven dat er naar aanleiding van een status update van haar '… zich in de reacties een aflevering van Rondom Tien ontspon: een maatschappelijke discussie over racisme, tolerantie, schelden en laten schelden. Dat was fascinerend en boeiend.' Óf Stine vindt Rondom Tien gewoon een slecht discussieprogramma.

Daarnaast zijn er nog twee punten waarop Stine kritiek verdient. Punt 1: Als ze over facebookers praat lijkt de achterliggende gedachte daarbij die aan aan hun PC geketende nerds. Dat is natuurlijk al lange tijd een achterhaald beeld. Dankzij de opkomst van de smartphone FB't en twittert iedereen nu vanaf elke denkbare plek. Als ik mijn vrienden wil laten weten wat ik van de huidige metereologische omstandigheden vind kan ik ze dat gewoon vanaf mijn dakterras mededelen, of vanuit het park, of vanuit Timboektoe. De moderne happy campers hebben overal bereik!

Ten tweede hamert Stine om de pagina op de 'openheid' van Facebook en Twitter, terwijl er zowel op FB als op Twitter een slotje kan. Natuurlijk heeft FB veel gezeik over lekken gehad, maar wie zijn instellingen goed managed hoeft niet heel bang te zijn dat al zijn intieme kapitaal zomaar te googelen valt. Ik heb de proef op de som genomen en even op Stine's Facebook-pagina gekeken. Op haar werkgever, geloofsovertuiging ('In celluloid I trust'), politieke voorkeur (waar ze sowieso geen doekjes om wind) en wat Kunst en Amusement-dingen na wordt ik er niet heel veel wijzer van. Ook op mijn Vriendschapsverzoek heeft ze tot nu toe trouwens niet gereageerd. Maar ze schrijft dan ook ergens in haar essay dat ze haar social media-gebruik wat aan het intomen is. Het kan , vrees ik, nog wel even duren voordat ik mij haar intieme kapitaal eigen kan maken.

Zo ijdel is ze dus ook weer niet.

Met dank aan Remko van Audio-Life, en Uitgeverij Lemniscaat voor het ter beschikking stellen van een recensie-exemplaar.


[donderdag 7 april]
Update:
Ze was t.n.t. vast erg druk met de promotie van haar boekje, want ik ben nét haar achthonderdzestigste FB-vriend geworden.





Terug naar boven / Back to top




BURIED

BURIED
Director: Rodrigo Cortéa | Starring: Ryan Reynolds | (2010)


plaatje Oorspronkelijk wees deze trailer mij op de film die ik nu even in het voetlicht wil gaan zetten. Alhoewel Movie Bob nog enigszins cynisch overkomt, is het mijn bedoeling dat niet te doen.... De film in kwestie namelijk, BURIED, starring Ryan Reynolds, (klik hier voor de officiële trailert) (van onder andere Smokin' Aces', welk einde mij zéér kon bekoren), heeft een gouden slot. Een einde dat veel gezeik in de film goed maakt. En overigens is er met de film zelve ook niet heel veel mis

Dit is geen Hollywood vriend. Geen achtervolgingen, geen mitrailleur-vuur, geen messteken, geen flatgebouwen, geen auto's.. Überhaupt nicks anders dan een kist en een mens.

Ja, het is een film met tekortkomingen (een slang duikt op een plaats op waar die echt had moeten worden opgemerkt; mensen proberen zich legally in te kapselen; een ex-wife cunt moet worden overgehaald een dienst te verlenen: ''so, that's the number??'... ''yeah...''... ''Fuck YOU''), maar die foutjes mogen er uiteindelijk allemaal zijn.

Heeft iemand The Silence of the Lambs gezien? Dit is zeg maar zo'n zelfde type duistere film. Ik zit er nog steeds he-le-maal in en daarom schrijf ik dit ook. Het gebeurt namelijk niet vaak dat ik he-le-maal in een film zit.

Het plot?

Een USA-born, in Irak werkende truck-chauffeur wordt het slachtoffer van 'terroristen' ('WANT FIVE MILLION MONEY!!!') en begraven in een kist ergens ongeveer six feet under. Het bizarre van de film is *** SPOILERS *** dat je die kist nooit verlaat. NOOIT. Dat simpele feitje pleit ook al voor deze film.

Mijn belangrijkste gedachte voorafgaand aan deze film was: 'Hoe krijg je in GODSNAAM' + / – 1 uur 30 aan film gevuld met een verhaal LOUTER IN EEN KIST????' Die gedachte heeft mij gedurende de film meerdere malen verlaten. En dat is meteen wat, wat mij betreft, zo ontzettend voor deze film pleit.

Ik verloor mijn gedachten. Ik was buiten mijzelf.

Ik wilde draaien, schoppen, trappen, huilen, schreeuwen, bellen, ik was gefrustreerd om de korte levensduur van de batterij, cynisch over de overheid ('You wanna keep the situation contained? I'm in a FUCKING BOX, I think that's contained enough!'), en bloody pissig op de T-Mobilesque wachtdeuntjes waar je echt niet op zit te wachten (no pun intended) terwijl je in een kist begraven ligt.

Deze film kent overigens wel een aantal regels.

Omdat film-bashing zo makkelijk is, vooral met wat bier en wat vrienden (overigens de situatie waarin ik de film bekeek, maar dat voorkwam niet dat wij de film alsnog erg goed vonden), moet je toch een paar maatregelen nemen:

(1) Kijk de film met zo min mogelijk mensen (lees: alleen).

(2) Drink zo weinig mogelijk om het aantal plaspauzes die je uit de flow halen zoveel mogelijk te bekorten.

(3) KIJK DE FILM IN HET DONKER!

(4) Zet het geluid HARD!!!! (HET IS NIET MIJN KAMER VRIEND)

&

Hou in je achterhoofd:

'Abandon All Hope, Ye Who Enter Here...'





Terug naar boven / Back to top




(In gewijzigde vorm eerder verschenen in: Ons Utrecht, 43e jaargang, #4, woensdag 26 januari 2011)

Dilemma

Paul Cliteur - Het Monotheïstisch Dilemma
Amsterdam: Arbeiderspers (2010)


plaatje Religieus terrorisme is na 9/11 niet opgehouden te bestaan. Nog vlak voor de jaarwisseling werd bekend gemaakt dat er een aanslag op het Deense Jylland Posten, de krant die in 2005 de beruchte Mohammed-cartoons plaatste, verijdeld was.

Religieus terrorisme is dan ook het terechte onderwerp van Het Monotheïstisch Dilemma, het nieuwste boek van de Leidse filosoof en rechtsgeleerde Paul Cliteur. Volgens hem is er met eerdere studies over religieus terrorisme namelijk één ding heel erg mis: bijna niemand ziet het als geweld dat een religieuze basis heeft. Terwijl de terroristen zelf, zoals Osama Bin Laden en Mohammed B., daar geen enkele twijfel over laten bestaan. Zij worden echter zelden of nooit geloofd. Want geloof is toch iets moois, iets goeds? Dit taboe op het onderzoeken van religie als één van de mogelijke oorzaken van terrorisme wil Cliteur in zijn nieuwste boek aan de kaak stellen.

Cliteur staart zich echter niet blind op moslimterrorisme maar gaat ook uitgebreid in op Jitzak Rabin, die door een Joodse fundmentalist werd vermoord, en op christen-fundamentalisten die abortusartsen bedreigen of vermoorden. Zo maakt hij duidelijk dat religieus terrorisme niet alleen een zaak van radicale islamieten is, maar het gevolg van een blinde gehoorzaamheid aan welk godsdienstig boek dan ook. Volgens hem hebben de fanatiekelingen in zowel de islam, het christendom en het jodendom het probleem dat ze maar één god dulden, die van zichzelf. En als ze dan ook nog eens van mening zijn dat ze zijn schrijfsels vrij letterlijk mogen nemen kan dat al snel tot een dilemma leiden. Namelijk tot het monotheïstisch dilemma. Dat is de keuze die de fundamentalist moet maken tussen het volgen van de wetten van zijn god, of de wetten van het land waar hij leeft. Als voor het eerste wordt gekozen is het hek natuurlijk van de dam. En ook al zijn er maar heel weinig terroristen, ze kunnen, zoals we in het verleden hebben gezien en zoals we in de toekomst, helaas maar waarschijnlijk, weer zullen merken, voor veel geweld, chaos en angst zorgen.

Cliteur gaat ook in op de belangrijke vraag in hoeverre wij onze cabaretiers, schrijvers, schilders en films moeten nuanceren, censureren, danwel verbieden? En in hoeverre je uitspraken uit de Bijbel kunt generaliseren? Als in enkele passages tot geweld, verminking, verkrachting en genocide wordt opgeroepen, kunnen andere, liefdadigere passages dat dan goed maken?

Slotsom: wie het lezen van een goed geschreven, uiterst genuanceerd, breedvoerig betoog als prikkelend ervaart, hij neme Het Monotheïstisch Dilemma ter hande.






Terug naar boven / Back to top



Menno Lievers - De val van Hippocrates
Amsterdam: De Bezige Bij (2009)


plaatje Artsen zijn vriendelijke, bevlogen mensen die uit de grond van hun hart het beste voor hun medemens willen, en zieken met overtuiging en passie proberen te helen. Wie dat beeld wil behouden moet bovenstaand boek zeker niet ter hande nemen.

Het begint schimmig, de net afgestudeerde Liefco werkt, ergens in 1989, in een ziekenhuis in Amsterdam, en kijkt daar een beetje de naald uit de arm. Hij is nog jong, dus naïef, en krijgt langzaam door hoe cynisch de rest van de artsen is, een houding die hij zelf, gedurende de loop van het boek, ook steeds meer aanneemt ("Ik las wat ik in de status had geschreven: 'Vuile hoerenloper.' Ik streepte het door en schreef: 'Bij lichamelijk onderzoek trof ik een vitale man'." p. 168).

Het zijn moeilijke tijden voor jonge medici. Een plek als arts in opleiding is nagenoeg niet te vinden, dus rommelt Liefco maar wat aan als basisarts.

De medische termen waar het boek mee is doorspekt, geven het geheel een zeer realistische sfeer. Het feit dat de meeste lezers totaal geen boodschap aan dergelijk jargon zullen hebben, voegt iets speciaals aan het boek toe. Wie wel eens een zieke in de familie of omgeving heeft gehad, kent de situatie waarin artsen, doktoren of chirurgen met rare termen smijten, zonder dat u daar iets van begreep, om vervolgens om heldere Jip-en-Janneke uitleg te smeken, waarschijnlijk maar al te goed. De afstand die een dergelijk taalgebruik schept vind u op die manier in het boek terug.

Maar na ongeveer veertig pagina's blijkt het hier toch om échte mensen te gaan. Er wordt volop gevloekt, geneukt en gezopen ("Alcohol is mijn trouwste bondgenoot." p. 42). En zowel de medische ingrepen als de drie laatstgenoemde menselijk-al-te menselijke bezigheden worden tot in de fijnste details beschreven.

Liefco's relatie staat op scherp. Zijn vriendinnetje, die binnenkort voor een goede baan naar Londen verhuist, smeekt hem steeds om mee te gaan, omdat ze weet in wat voor uitzichtloze situatie hij zich bevind. Liefco is echter stug en nog vol hoop dat hij er echt wat van kan maken. Dat hij daarnaast her en der nog een paar lieve zusters weet te neuken doet volgens hem niets aan zijn liefde voor haar af. Als hij zich dan ook nog eens met een mogelijk besmette naald prikt, en vreest AIDS te hebben opgelopen, is het plaatje compleet. Liefco's verlorenheid begint hem parten te spelen. Hij weet wat hij moet kiezen noch wie hij moet kiezen: "Er overkomen mij dingen. Ik ben weerloos..." vertelt hij een collega in vertrouwen. (p. 84)

Liefco's berooide dagdelen zijn echter nog niet alles. Tijdens de schamele momenten dat hij zijn nachtrust niet aan de vodka prijsgeeft, wordt hij door nachtmerries geplaagd. Toen hij jong was verloor hij tijdens een bergwandeling zijn broertje ("zijn dood hoort bij mijn leven" p. 126), iets wat noch zijn moeder hem, noch Liefco zichzelf ooit heeft kunnen vergeven. Om dat goed te maken doet hij zijn uiterste best om het goede te doen, maar hij weet het nooit voor elkaar te krijgen dat op een esthetisch verantwoorde manier te verwezenlijken. Hij klungelt eigenlijk maar wat, zo lijkt het geval te zijn. Een hoertje dat hij soms bezoekt, helpt hij door een schijnhuwelijk aan een verblijfsvergunning. Hij trakteert zijn vriendin op een uitgebreid Frans ontbijt, maar te laat, want ze heeft al besloten te vertrekken. En omdat hij anderen niet met AIDS wil besmetten geeft hij enkel orale sex.

De sfeer van het boek zelf, is ondanks alle problemen, nare omstandigheden en grimmige gebeurtenissen, zeker niet pessimistisch, dat zou nog te oordelend zijn voor Liefco, die eerder lethargisch genoemd kan worden. Hij bemoeit zich eigenlijk alleen semi-impulsief met de gang der zaken.

Meer dan eens weet het verhaal een glimlach op de lippen te toveren, en de loop van het verhaal is, alhoewel een tikje ingewikkelder dan het gemiddelde mensenleven, toch voor iedereen aansprekend.

Doordat het boek, ten eerste, de mensen achter de medicijnen laat zien, en ons, ten tweede, langzaam maar zeker meesleurt in de verslavende wereld die het leven van Liefco is, biedt het veel meer dan alleen een simpel verhaaltje.

Het biedt een zeer verrassend einde, Kafkaïaans aandoende situaties, depressief getinte analyses, en een vorm van zwarte humor die een ieder die dit boek oppakt ondanks dat alles een zeer aangename leeservaring verschaft.




Terug naar boven / Back to top




(In gewijzigde vorm eerder verschenen in: Ons Utrecht, 42e jaargang, #16, woensdag 21 april)

De kunst van het ouder worden

Joep Dohmen & Jan Baars - De kunst van de ouder worden: De grote filosofen over ouderdom
Amsterdam: Ambo. (2010)


plaatje Het politieke plan om de pensioenleeftijd tot 67 te verhogen komt niet zomaar uit de lucht vallen. We worden allemaal namelijk steeds ouder. Maar wat is daar de filosofische betekenis van? Gelukkig wordt er nu, tijdens de jongste Maand van de Filosofie, aandacht aan dat onderwerp besteed.

Joep Dohmen, onder meer bekend van de bloemlezing 'Over levenskunst', bundelde zijn krachten met bijzonder hoogleraar Jan Baars. Laatstgenoemde is bij het grote publiek wat minder bekend, maar ook Baars heeft zijn sporen op het gebied van de wijsheid der ouderdom ruimschoots verdiend. Over dit onderwerp schreef hij eerder namelijk al 'Het nieuwe ouder worden'.

Onlangs verscheen de door beide heren samengestelde bloemlezing 'De kunst van het ouder worden: De grote filosofen over ouderdom.' Een imposante, bijna vijfhonderd pagina's tellende verzameling teksten van klassieke, middeleeuwse en moderne denkers die over ouderdom geschreven hebben. Maar niet alleen filosofen, ook dichters en schrijvers, zoals Sappho van Lesbos, Ovidius (bekend van de 'Metamorphosen'), Dante ('De Goddelijke Komedie') en Goethe komen aan bod. Want ook zij hebben over dit onderwerp nagedacht, en verdienen het, zeker in deze haastige tijden, rustig gelezen te worden.

"Ik ben gelukkig als ik door mijn overwinningen op mijzelf zal leren het leven deugdzamer te verlaten dan ik het ben binnengetreden," schreef de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau aan het eind van zijn leven. En dat is waar het allemaal om draait. Want wijsheid komt met de jaren. Maar wijsheid komt niet zomaar, daar is wel wat inzet voor nodig. Over het soort van inzet dat daar voor nodig is lopen de meningen echter sterk uiteen. De elkaar soms aanvullende en soms aanvallende standpunten van onder meer de idealistische Plato, de pessimistische Schopenhauer, de levensomarmende Nietzsche, en de psychoanalytische Jung, worden, voorafgegaan door korte en overzichtelijke inleidingen, mooi op een rijtje gezet. Zo kan de lezer een eigen, onderbouwde mening vormen. Een voorlopige mening natuurlijk, want het leven is en blijft een leerweg. Ook na de pensionering.




Terug naar boven / Back to top




(In gewijzigde vorm eerder verschenen in: Ons Utrecht, 42e jaargang, #15, woensdag 14 april)

De verleidelijkheid van zondigen

Margriet Sitskoorn - Passies van het brein: Waarom zondigen zo verleidelijk is
Amsterdam: Bert Bakker (2010)


plaatje Van hoogleraar Klinische Neuropsychologie Margriet Sitskoorn, die in 2006 de bestseller Het Maakbare Brein schreef, is onlangs een nieuw boek verschenen: Passies van het Brein: Waarom Zondigen Zo Verleidelijk Is. Voor iedereen die van eten houdt, af en toe lekker lang en lui op de bank ligt, of weleens rood van woede wordt, kortom, voor iedereen die een lichaam heeft is dit boek een aanrader.

Margriet Sitskoorn zou het waarschijnlijk echter anders formuleren. Zij zou schrijven: 'Voor wie een brein heeft.' Want alhoewel we met onze mond eten en met onze vuisten slaan, zou dat alles niet mogelijk zijn zonder het ingewikkeldste mechanisme in het ons bekende universum: de menselijke hersenen. Het achterhaalde christelijke idee dat de mens sinds de zondeval onontkoombaar zondig is heeft plaatsgemaakt voor een nieuwere en betere visie, waarin ons brein een grote rol speelt. De neuropsychologie, de wetenschap die onderzoek doet naar het verband tussen hersenen en gedrag, heeft tal van bewijzen geleverd die aantonen hoe verschillende stoffen in en toestanden van ons brein verschillende gedragingen veroorzaken. Over die onderzoekingen doet Sitskoorn op fascinerende wijze verslag. Helder uitgelegde experimenten worden steeds afgewisseld met, of ingeleid door smaakmakende anekdotes, wat het boek zeer leesbaar en inzichtelijk maakt.

Aan elke 'zonde' is een hoofdstuk gewijd dat uitlegt hoe de verschillende hersengebieden verschillende gedragingen makkelijk of juist moeilijk maken, want ons brein zorgt er niet alleen voor dat we bepaalde dingen wel doen, maar ook dat we andere dingen weer laten. Zo is het mechanisme dat ervoor zorgt dat we na een grote maaltijd een vol gevoel krijgen, niet bij iedereen intact, zodat diegenen die die natuurlijke barrière missen constant aan het eten blijven, met alle gevolgen van dien. Maar dat is lang niet alles. Sitskoorn formuleert ook elk hoofdstuk een nieuw dilemma's om je aan het twijfelen te krijgen, en stelt her en der vragen om je over je eigen zonden aan het denken te zetten.

Zo doet dit boek dus veel meer dan alleen maar informeren, het vermaakt ook, én het brengt nieuwe persoonlijke inzichten. Dus, zet uw passievolle brein aan het werk en laat hem u naar de boekhandel sturen.



Terug naar boven / Back to top




(In gewijzigde vorm eerder verschenen in: Ons Utrecht, 42e jaargang, #13, woensdag 31 maart)

Een Zuid-Afrikaans juweeltje

Antjie Krog - Hoe zeg je dat
Amsterdam: Podium (2009)


plaatje Het exotische Zuid-Afrika kent meer juweeltjes dan Elisabeth Eybers en Ingrid Jonker. Naast de eerder verschenen verzamelde werken van die twee dichteressen is onlangs de gedichtenbundel Hoe Zeg Je Dat van Antjie Krog gepubliceerd. Het is helaas geen complete verzameling van haar verzen, maar wél een door haarzelf gemaakte keuze uit eigen werk, waaronder enkele nog niet eerder verschenen gedichten.

Dat Antjie, die vorig jaar de eer ten deel viel om de Gedichtendagbundel te mogen schrijven, midden in het leven staat, blijkt onder andere uit de zeer verschillende onderwerpen die haar gedichten aansnijden. Ze schrijft over gevoelige onderwerpen zoals ziekte ('hoe etterend het plekje naast je dunne lip / wat ís er van je geworden jij die de mijne bent - ineens'), depressie ('het is vreselijk je zo te moeten zien / hoe bereik ik je. het is vreselijk om. / hoe krijg ik je terug. zou het niet. / had ik maar. was het niet beter.'), en de zoektocht naar een ander leven ('ik wil een ander leven / ik wil door andere straten lopen / ik wil in andere steden met de lift / en op een andere etage uitstappen'). Maar ze dicht ook over aardser aandoenende dingen zoals het verwisselen van maandverband in een gore townshiptoilet, waarover ze zelf al schrijft dat dat een onderwerp is waarover normaal gesproken nooit gedicht zou worden. Zij doet het echter toch, en dat toont haar dichteressenmoed.

Waar sommige gedichten anekdotisch aandoen, lijken anderen juist weer het resultaat van een jarenlange overdenking, en dat opzienbarende verschil maakt deze bundel juist zo aantrekkelijk. Zowel het verhevene als het laag-bij-de-grondse vind een plaats in Antjies werk. Een andere eigenschap die deze bundel zo aantrekkelijk maakt, is het feit dat het een tweetalige editie betreft, iets dat bij de gedichtenbundels van Jonker en Eybers gelukkig ook het geval is. Dat biedt de lezer de mogelijkheid om op een prettige manier met het zeer op het Nederlands lijkende Afrikaans te kunnen stoeien.

Het laatste dat deze bundel zo aantrekkelijk maakt is misschien ook wel het minst opvallend, namelijk dat hij überhaupt verschenen is. Gelukkig is Antjies poëzie een goed middel om minder opvallende dingen in een ander daglicht te zetten.


Terug naar boven / Back to top




(In gewijzigde vorm eerder verschenen in: Ons Utrecht, 42e jaargang, #7, woensdag 17 februari)

Zoeken naar waarheid in stripvorm

Apostolos K. Doxiades & Christos H. Papadimitriou - Logicomix: Een epische zoektocht naar de waarheid
Uitgeverij De Vliegende Hollander (2009)


plaatje Een vriend vertelde mij ooit gekscherend dat logici machines zijn die koffie omzetten in stellingen, maar zo gekscherend was dat niet, want de gemiddelde mens zal geen al te heroïsch beeld van logici hebben. Maar het zijn natuurlijk, uiteindelijk, mensen als alle ander mensen. En dat maakt hen, aldus de schrijvers van de Logicomix, tot volwaardige hoofdpersonen. In dit geval van een stripverhaal.

Als de jonge filosoof Bertrand Russell rond het begin van WOII, een meute anti-oorlog betogers tegenkomt, geeft hij hen een lezing over de rol van logica in het mens-zijn, en wat is er tijdens de dreiging van oorlog prangender dan een roep om logisch denken? Aldus Russell. In zijn lezing begint Russell gek genoeg niet meteen allerhande proposities en symbolen op het bord te kalken, maar verhaalt over zijn vroege jeugd, het verlies van zijn ouders, zijn strenge opvoeding, en over zijn ontdekking van literatuur, wiskunde, logica en filosofie. Zo sleept hij de lezers mee naar de wereld achter de boeken, naar de wereld van de mens. Want Russel's leven, waarin hij studeerde, lesgaf, meerdere malen trouwde, een school oprichtte, en min of meer alle grote denkers van zijn tijd, van Frege, via Whitehead, tot de illustere Wittgenstein ontmoette, is zeker een nader kijkje waard.

Maar in het verhaal wordt de lezer ook geconfronteerd met de schrijver van de Logicomix, die verwikkeld is in een discussie met een computerwetenschapper, Christos, die zo zijn twijfels heeft over de ideeën van de schrijver over de inhoud, vorm en richting van het stripverhaal. En dat geeft het verhaal weer een andere verdieping.

Het verweven van de met een computerwetenschapper debatterende schrijver, Russell in gesprek met de betogers, en de biografische inhoud van de lezing zelf, die de lezer kennis doet maken met de mensen achter de logici, maken dit door zijn inhoud zeer speciale stripverhaal bijzonder boeiend. Daar moet wel bij worden verteld dat men over de exacte inhoud van logica en wiskunde niet zo veel te weten komt. Wie daar meer over wil weten moet de uitgebreide aantekeningen achterin het boek raadplegen. Maar dit boek is juist door de scheiding van mensen en hun ideeen zo aantrekkelijk. Dit boek komt via de mens tot de ideeën, en is daarmee een prachtige routebeschrijving.


Terug naar boven / Back to top


James D. Watson - The Double Helix: A Personal Account of the Discovery of the Structure of DNA
London: Weidenfeld and Nicholson (1968)


plaatje In april 2003, werd een persbericht uitgegeven waarin werd mede gedeeld dat het Human Genome Project eindelijk was voltooid. Zo goed als het hele menselijke genoom was in kaart gebracht! Aan deze geweldige wetenschappelijke presentatie moest natuurlijk wel het een en ander vooraf gaan, zoals, bijvoorbeeld, de ontdekking van de structuur van het DNA. De speurtocht daarnaar, en de ontdekking ervan, beschrijft James D. Watson in een vlot leebaar boek. Alhoewel het boek meer dan 220 pagina's bevat, staan er maar weinig woorden op een pagina en is het boek doorspekt met foto's, (tekeningen van -zij leefden decennia voordat de pc in elk huishouden te vinden was-) modellen en manuscripten.

Het avontuur speelt zich hoofdzakelijk in Engeland af, in de jaren 1951-1953, maar dat neemt niet weg dat er enkele plezier- en studiereisjes worden gemaakt naar Kopenhagen, Napels, Parijs e.a. Watson en Crick zijn twee moleculair biologen. Crick is al wat ouder en praat als een Neal Cassidy, en Watson is de jongste, veelal gepreoccupeerd met vrouwelijk schoon. Tijdens een niet al te interessante lezing beschrijft hij hoe hij na zit te denken over hoe de vrouw die de lezing geeft er uit zou zien zonder bril, met iets ander haar en leukere kleren. Wetenschappers zijn ook mensen, zo leert men tijdens de lezing van dit boek. Drank, vrouwen, reizen, geldproblemen, verveling, streven naar sociale prestige, arbeidsethiek, afgunst, strijd, beroepscodes, bedrog, niets menselijks is hen vreemd. Zo beschrijft Watson op een gegeven moment dat hij van de commissie die hem zijn beurs verstrekt bepaald onderzoek moet doen terwijl hij meer zin heeft in het ontrafelen van de geheimen van de DNA-structuur (de befaamde dubbele helix waar de titel naar verwijst). Dus pleit hij er bij een bevriende wetenschapper voor dat deze formeel zal doen alsof Watson bij hem met het bedoelde onderzoek bezig is, zodat Watson zich in een ander laboratorium met zijn eigen interessen bezig kan houden. Ook een mooi geval is de episode waar Watson informatie van iemand wil die hem constant links laat liggen. Als Watson's 'very pretty' zus arriveert, die de interesse van de bewuste wetenschapper trekt, lijken de kansen gekeerd.

"(...) and before I could corner Maurice again I realized that I might have had a tremendous stroke of luck. Maurice had noticed that my sister was very pretty, and soon they were eating lunch together. I was immensely pleased. For years I had sullenly watched Elizabeth being pursued by a series of dull nitwits. Suddenly the possibility opened up that her way of life could be changed. No longer did I have to face the certainty that she would end up with a mental defective. Furthermore, if Maurice really liked my sister, it was inevitable that I would become closely associated with his X-ray work on DNA."

Of sociologische/sociale factoren een rol spelen in de context of justification betwijfel ik, maar in de context of discovery zijn ze niet weg te denken!

Het boek is een mooie en vooral leuke en aansprekende beschrijving van het verhaal dat zich afspeelde voor en vlak na Watson en Crick's ontdekking van de structuur van DNA, een ontdekking die tot de ontvangst van de Nobelprijs leidde. Ze waren echter niet alleen, want velen (die ook expliciet en uitgebreid genoemd worden) stimuleerden hen, falsifieerden, gaven commentaar, steun, informatie etc. Leuk is ook om te zien hoe er een verwoede strijd bestaat tussen de States en Engeland. Degenen die het werk van Watson en Crick superviseerden waren niet altijd onder de indruk van hun denk- en giswerk en stonden sceptisch tegenover hun kansen om een bijdrage te leveren cq. een ontdekking te doen. Als ze dan toch een paar leads weten te vinden, krijgen ze groen licht als blijkt dat een Amerikaan zich ook vervaarlijk dicht bij de oplossing in de buurt bevindt, en deze Amerikaan wéér een grote ontdekking te laten doen zou hun Engelse eer tarten.

Uiteindelijk ontdekken zij, zoals ondertussen bekend is, dat DNA uit twee tegen elkaar indraaiende strengen bestaat: "The two sugar-phosphate backbones twist about on the outside with the flat hydrogen-bonded base pairs forming the core. Seen this way, the structure resembles a spiral staircase with the base pairs forming the steps." Het voordeel en biologische belang hiervan is dat het kopieermechanismen van het DNA zo niets aan de verbeelding over laat. Het is zo dat de vier basen (C, G, A en T) complementaire koppels vormen. T altijd met A, en G altijd met C. Als de twee strengen zich dus scheiden, is er steeds maar plaats voor één complementaire base. Er is nu een streng met precies de tegenovergestelde structuur. Als zich daaraan nu weer de daaraan tegenovergestelde structuur bindt, zijn we weer waar we begonnen zijn en is er een exacte kopie. De schaarse technische details en uitwijdingen zijn soms moeilijk maar altijd belonend, en doen niet af aan het leesplezier.

Ook opvallend zijn de esthetische overwegingen die meermaals worden aangehaald:
"(...) we had lunch, telling each other that a structure this pretty just had to exist." (p. 205)
&
"(...) like almost everyone else, she saw the appeal of the base pairs and accepted the fact that the structure was too pretty not to be true." (p. 210)

De structuur werd ontdekt dankzij denk- en giswerk en de complementariteit van Crick en Watson, waarbij de eerstgenoemde zich vooral met theorie en pen en papier behielp, en de laatstgenoemde vooral met modellen in de weer was. De interactie tussen die twee leidde uiteindelijk tot het bekroonde resultaat. Maar aangezien ze eerder een grove inschattingsfout hadden gemaakt met betrekking tot een ander idee, zijn ze nu voorzichtig, en laten eerst een aantal experts (waaronder de Amerikaanse concurrent) naar hun model kijken om hun instemming of kritiek te horen. Maar iedereen is enthousiast.

Ook het streng methodologische component van de zoektocht wordt niet verwaarloosd: "The next scientific step was to compare seriously the experimental X-ray data with the diffraction pattern predicted by our model." En gelukkig blijkt alles te kloppen. Vervolgens stellen ze een paper voor het gezaghebbende wetenschappelijke tijdschrift Nature op, dat na de nodige revisies wordt gepubliceerd, met alle gevolgen van dien (waaronder een officieel getint bezoekje aan Stockholm in december 1962).

Resumerend kan worden gesteld dat het vooral een erg leuk en opwindend boek is, een persoonlijk verhaal van iemand die er niet alleen 'bij was' maar het ook nog eens zelf heeft gedaan! Aanstekelijk schrijfwerk, wat ervoor zorgde dat ik, toen ik het uit had, een gevoel kreeg alsof ik binnenkort zelf naar Stockholm mocht om de kroon op mijn werk te ontvangen.


Terug naar boven / Back to top



(In gewijzigde vorm eerder verschenen in: Ons Utrecht, 42e jaargang, #2, woensdag 13 februari)

Een pracht aan feiten

Richard Dawkins - The Greatest Show on Earth: The Evidence for Evolution
London: Bantam (2009)


plaatje Het afgelopen jaar was om twee redenen het Darwin-Jaar. Ten eerste omdat Darwin 200 jaar geleden geboren is, en ten tweede omdat zijn befaamde On the origin of species 150 jaar geleden verscheen. Naar aanleiding daarvan werden er overal ter wereld conferenties gehouden, lezingen gegeven, en boeken gepubliceerd. Zo ook het meer dan vierhonderd pagina's tellende The Greatest Show on Earth: The Evidence for Evolution, het tiende boek van de vermaarde atheïst en evolutiebioloog Richard Dawkins, die onlangs met pensioen ging.

Het is een zorgvuldig geschreven boek dat een grote aanvulling is op zijn eerder verschenen werken. Nadat hij in vorige boeken kundig had uitgelegd hoe men Darwins' evolutietheorie anders en beter kan bekijken (in The Selfish Gene en The Extended Phenotype), en hoe men evolutie inzichtelijk kan maken (in The Blind Watchmaker, River Out of Eden en Climbing Mount Improbable), verscheen onlangs het boek dat Dawkins zelf zijn missing link noemt. In The Greatest Show on Earth legt Dawkins namelijk op een kundige en scherp geformuleerde manier uit welke soorten van bewijs er nou eigenlijk voor evolutie te vinden zijn.

Dit doet hij op een systematische manier. Elk hoofdstuk behandelt een ander type bewijs, maar legt ook nog eens uit hoe dat bewijs verzameld wordt, welke methoden en technieken daarbij worden gebruikt, en hoe dat met andere soorten van bewijs samenhangt.

Als eerste legt hij het verschil uit tussen een feit en een theorie, en verklaart aldus hoe onnadenkende creationisten erbij komen om evolutie 'slechts een theorie' te noemen. Ook geeft hij vele voorbeelden van kunstmatige (lees: menselijke) selectie, waarvan de bekendste de vervorming van wolf tot hond is.

Vervolgens wordt uiteengezet op welke manieren wetenschappers de leeftijd van de aarde hebben aangetoond. Niet alleen met behulp van radioactiviteit, maar ook dankzij de jaarringen van bomen, waarvan een keten beschikbaar is die elf en een half duizend jaar terug het verleden in reikt. Natuurlijk laat Dawkins niet na om naast het verschijnsel radioactiviteit ook een enorme berg informatie over de daar achter liggende scheikundige kennis te geven.

Verder wordt onder andere nog uitgebreid gesproken over de genetische verwantschap tussen de verschillende soorten levende wezens, over het bij mensen negen maanden durende proces dat van een bevruchte eicel tot een volwaardig mens leidt, over geologie en het verschuiven van de continenten, over hoe paleontologen gevonden fossielen indelen, en over selectieprocessen die binnen de duur van een menselijk leven tot opvallende evolutionaire resultaten leiden. En dat allemaal tegen een uitgebreide historische achtergrond. De reikwijdte van dit boek valt aldus niet gemakkelijk te overschatten. Dawkins geeft in begrijpelijke taal een schat aan informatie weer, die overigens ook nog eens met prachtige kleurenfoto's wordt geïllustreerd.

Al met al is The Greatest Show on Earth niet alleen een geweldige toevoeging aan de dit jaar verschenen Darwin-literatuur, maar ook een prachtige bekroning van Dawkins academische carrière.

Zie over evolutie verder:

- Een artikel over de zoektocht van de sociobiologie en de evolutionaire psychologie naar de (schijnbare) tegenstelling tussen evolutie en altruïsme.
- Een kort maar krachtig overzicht van interessante boeken met betrekking tot het moderne darwinisme. - De recensie van Dawkins' Unweaving the rainbow: Science, delusion and the appetite for wonder.)


Terug naar boven / Back to top



(In gewijzigde vorm eerder verschenen in: Ons Utrecht, 41e jaargang, #15, woensdag 8 april)

De vreemheid van een geest

Daniel Tammet - Embracing the Wide Sky: A Tour Across the Horizons of the Human Mind
London: Hodder & Stoughton (2009)


plaatje Wat zou u denken als u erachter kwam dat iemand erin is geslaagd om de eerste 22.514 decimalen van het getal Pi uit zijn hoofd te leren? Waarschijnlijk zou u eerst ongelovig zijn (dat was ik ook), en daarna van uw stoel vallen (auw!). Daarna zou u zich verwonderen over de vreemdheid en wonderbaarlijkheid van een geest die daartoe in staat is- bovennatuurlijk zou u het bijna vinden. Maar volgens Daniel Tammet, degene die deze enorme getallenreeks uiteindelijk foutloos heeft weten op te zeggen, is er van niets bovennatuurlijks sprake. Bijzonder is het, dat wel. Maar niet meer dan dat. Volgens Tammet zijn bijzondere gaven als die van hem (en die van Newton, Einstein en John Nash - de schitterende rol van Russell Crowe in A Beautiful Mind) in feite helemaal niet vreemd, maar een bijproduct van dezelfde processen als die zich in uw en mijn geest afspelen.

Zoals de nu dertig-jarige Engelsman Daniel Tammet heeft beschreven in zijn zeer bijzondere autobiografie Born on a Blue Day, is hij opgegroeid met het syndroom van Asperger, een relatief milde vorm van autisme (denk aan het personage van Dustin Hoffman in de film Rain Man). Hij is er echter in geslaagd op een zeer positieve manier met zijn gebreken om te gaan. Hij heeft nu een vriend, een baan, en reist de hele wereld rond om nieuwe informatie over autisme en het syndroom van Asperger met het publiek te delen.

In zijn nieuwe boek, Embracing the Wide Sky: A Tour Across the Horizons of the Human Mind, doet hij hetzelfde. Het boek gaat over het doen en laten van de geest (zowel de 'bijzondere' als de 'normale'), en combineert de laatste hersenwetenschappelijke inzichten met Tammet's persoonlijke gedachten, wat een treffende combinatie oplevert. Hij schenkt daarbij op een toegankelijke manier aandacht aan diverse onderwerpen. Bijvoorbeeld het stereotype van de autist (als gevolg van Rain Man), de waarde van mediteren, diverse trucjes om uw geest zelf beter te begrijpen en gebruiken (als u iets onder invloed leert, zorg dan dat u ook onder invloed bent als u het zich weer moet herinneren), taal (wist u dat 21% van Shakespeare's MacBeth uit slechts negen woorden bestaat), Wikipedia, statistiek (de kans dat u door de bliksem wordt geraakt is zeven keer groter dan die om de loterij te winnen), de voordelen van een wiskundige denkwijze (hoe u een nieuwe gast kwijt kunt in een hotel met een oneindig aantal kamers, met een oneindig aantal gasten), en de toekomst van de menselijke geest (worden we cyborgs -deels mens, deels machine-?).

Voor een ieder die zich toch al verwonderde over de vreemdheid van onze geest, hier is een boek dat onze geest, door hem te naturaliseren, bijna nóg wonderbaarlijk weet te maken.


(c) 2009 Mattijs Glas


Terug naar boven / Back to top




(In gewijzigde vorm eerder verschenen in: Ons Utrecht, 41e jaargang, #47, woensdag 18 november)

"Het zal allemaal nog veel erger worden."

Michel Houellebecq & Bernard-Henri Lévy - Publieke vijanden: Een steekspel in brieven
Amsterdam/Breda: Arbeiderspers/De Geus (2009)
Vertaling: Rokus Hofstede & Martin de Haan


plaatje Dit is niet het eerste non-fictie boek dat Michel Houellebecq publiceert. Het eerder verschenen (en zeer lezenswaardige) De Koude Revolutie (Arbeiderspers 2004) bevat onder andere interviews, brieven aan kranten, essays en voorwoorden.

Na De koude revolutie en Houellebecq: De ongeautoriseerde biografie (Nijgh & Van Ditmar 2006) van Denis Demonpion (aan wie Houellebecq een gruwelijke hekel heeft, zoals blijkt uit de brieven), is er nu, voor een ieder die (hoe kan het ook anders) geïnteresseerd is in de mens achter de schrijvers, de bundeling van een briefwisseling tussen Michel Houellebecq en de Franse filosoof Bernard-Henri Lévy verschenen.

Lévy, meestijds liefkozend afgekort als BHL, is een vooraanstaande Franse filosoof, die zich bezig houdt met mensenrechten. Een ongelofelijk optimisme en medeleven kenmerkt hem. Geen onrecht of hij maakt zich er boos over. Dat in tegenstelling tot de cynische Houellebecq. De toon waarop die zijn romans schrijft valt terug te vinden in de manier waarop hij zijn brieven schrijft. Over de mensheid is hij afstandelijk, en over de toekomst van de mensheid is hij cynisch, evenals over de huidige staat van onze maatschappij.

Beide hebben aanvaringen gehad met de media, die hen, volgens henzelf, vaak in een kwaad daglicht stellen. Houellebecq's reactie daarop is kenmerkend voor zijn manier van denken: "Zij hebben niets meer te verliezen, omdat ze weten dat ik nooit meer met ze zal praten. Maar ik heb nog heel veel te verliezen, en dat weten ze. Het kan nog veel erger worden; het zal allemaal nog veel erger worden."

De brieven handelen over van alles en nog wat. Over films, literatuur, poëzie, jeugdherinneringen, en hun eigen geestelijke ontwikkeling. Daardoor heeft de briefwisseling soms iets weg van dat spelletje waar iedereen op een steeds opnieuw omgevouwen blaadje een zin schrijft, die gebaseerd is op vorige, een-na-laatste zin, zonder de rest van de voorgaande zinnen te kennen. Maar dat is ook juist weer leuk aan het boek; om te zien hoe de twee op elkaar reageren, op welke dingen van elkaar ze reageren, en welke ze links laten liggen. De briefwisseling is dan ook net als een gesprek: een gedachtewisselingen op afstand, en geen monoloog op papier.

Een andere grote verdienste van de briefwisseling is dat hij je dwingt om er andere literatuur bij te pakken, van Spinoza, Schopenhauer en Nietzsche tot Baudelaire en Camus. Schrijvers waar je misschien ooit al wel of al niet van had gehoord, maar waar je nu of überhaupt zin in krijgt, of nog meer zin in krijgt.

Publieke Vijanden biedt echter niet genoeg. Liefhebbers van Houellebecq zullen aan het lezen van dit boek, net als aan het lezen van zijn andere boeken, een onbedwingbaar verlangen naar méér overhouden.


(c) 2009 Mattijs Glas


Terug naar boven / Back to top




Alan Sokal & Jean Bricmont - Intellectual impostures: Postmodern philosophers' abuse of science
London: Profile books (1997)


plaatjeI'd personally estimate that over 35% of this book contains rubbish - is pure rubbish or rubbishy. But I'm not stating this to discourage you from reading it. Rather, set in it's proper context, my estimate should be viewed as an encouragement to read this book. The fact being that the rubbish this book surely contains, was written by Alan Sokal nor Jean Bricmont. Instead, the rubbish was chosen, quoted and reviewed by them. Let me explain.

The conception of this book took place when Sokal submitted a very well-written paper, 'Transgressing the boundaries: Toward a transformative hermeneutics of quantum gravity' to the American cultural-studies journal Social Text. Except for the fact that is wasn't written well at all. It was, as Sokal states:

"(...) crammed with nonsensical, but unfortunately authentic, quotations about physics and mathematics by prominent French and American intellectuals." (p. ix.) [1]

The fact that it was published proves not just that the editors of Social Text are lazy, not just that they are incompetent, but that they are willingly unintellectual. Now, intellectualism should, in my honest opinion, be seen as closely related to a certain basic, sceptical, commonsense, scientificesque attitude towards everything happening around you. Which means asking questions when things seem odd, when questions need to be asked, when much is at stake. But also when, basically, truth is at stake. The source from which these questions spring is a basic interest in the happenings taking place around you. As J.S. Mill wrote:

"A cultivated mind - I do not mean that of a philosopher, but any mind to which the fountains of knowledge have been opened, and which has been taught, in any tolerable degree, to exercise its faculties - finds sources of inexhaustible interest in all that surrounds it: in the objects of nature, the achievements of art, the imaginations of poetry, the incidents of history, the ways of mankind, past and present, and their prospects in the future." [2]

Now, to make matters worse (for the editors of Social Text), Sokal's article wasn't just filled with the type of quotations mentioned above. Apart from the 'nonsensical' quotations Sokal interspersed, they were glued together by:

"(...) absurdities and blatant non sequiturs. In addition, it asserts an extreme form of cognitive relativism: after mocking the old-fashioned 'dogma' that 'there exists an external world, whose properties are independent of any individual human being and indeed of humanity as a whole', it proclaims categorically that 'physical "reality", no less than social "reality", is at bottom a social and linguistic construct'. By a series of stunning leaps of logic, it arrives at the conclusion that 'the pi of Euclid and the G of Newton, formerly thought to be constant and universal, are now perceived in their ineluctable historicity'. The rest is in the same vein." (p. 1-2. Italics - MG)

The point being, that aside from the nonsense I didn't italicize, the editors of Social Text should've banned Sokals article from publication on the simple grounds of it being filled with bad logic. Overlooking faults in your own area of expertise, maybe because of the fact that you are in the middle of it, is one thing, but overlooking basic, commonsense, proper faults of logic, is quite another matter.

Now, back to the proper content of the book, for the intellectual laziness of the editors of Social Text is just a side-issue here. The goal of Intellectual Impostures is emphatically not to attack postmodernist thought in general, but to show, quite exhaustively:

"(...) the repeated abuse of concepts and terminology coming from mathematics and physics (...)" and "(...) certain confusions of thought that are frequent in postmodern writings and that bear on either the content or the philosophy of the natural sciences." (p. 4)

The first question one should ask himself now, is what Sokal and Bricmont actually mean with the term 'postmodernism'? This brings us to a 'problem': How to deal with a current of thought you strongly dislike? Richard Dawkins, in his introduction to his review of Intellectual impostures, [3] states:

"(...) the fact that the word 'postmodernism' occurs in the title given me by the editors of Nature does not imply that I (or they) know what it means. Indeed, it is my belief that it means nothing at all, except in the restricted context of architecture where it originated. I recommend the following practice, whenever anybody uses the word in some other context. Stop them instantly and ask, in a neutral spirit of friendly curiosity, what it means. Never once have I heard anything that even remotely approaches a usable, or even faintly coherent, definition. The best you'll get is a nervous titter and something like, 'Yes I agree, it is a terrible word isn't it, but you know what I mean.' Well no, actually, I don't." (A devil's chaplain, p. 7)

Which is a strange thing to say for someone who reviewed the book. For Sokal and Bricmont define:

"(...) 'postmodernism': an intellectual current characterized by the more-or-less explicit rejection of the rationalist tradition of the Enlightenment, by theoretical discourses disconnected from any empirical test, and by cognitive and cultural relativism that regards science as nothing more than a 'narration', a 'myth' or a social construction among others." (p. 1)

On which they elaborate:

"If we (...) employ this term ('postmodernism' - MG) for convenience, it is because all the authors analysed here are utilized as fundamental points of reference in English-language postmodernist discourse, and because some aspects of their writings (obscure jargon, implicit rejection of rational thought, abuse of science as metaphor) are common traits of Anglo-American postmodernism." (p. 12)

This, to me, definitely looks like a 'usable' or 'faintly coherent' definition. So Dawkins seems to be wanting too much: Robbing postmodernism of it's meaning, while endorsing attacks against statements uttered by proponents of that current. As the saying goes, you can't have your cake and eat it too.

Now that we've got clean on the meaning of postmodernism, let's see how the offensive takes place:

Intellectual impostures contains twelve parts: It begins with an introduction, and ends with an epilogue. There are seven chapters on individual 'philosophers' and two intermezzo's (and, additionally, three appendices, containing, respectively, 'Transgressing the boundaries', Some comments on the parody and 'Transgressing the boundaries: An afterword,' which, incidentally, was refused for publication by the editors of Social Text).

In the chapters on individual philosophers (there is actually one chapter focussing on Deleuze and Guattari, for they published many books together) extensive quotations (being the 35% of rubbish mentioned above) are carefully scrutinized. The reason for the unorthodox lenght of the -sometimes pages long- quotations is that Sokal and Bricmont wanted to make sure they weren't quoting them out of context (p. 15), something which, sadly, can't be said of most of the writers they review.

Sokal and Bricmonts' analysis is meant to show how the famous intellectuals they quote have "(...) repeatedly abused scientific concepts and terminology; either using scientific ideas totally out of context, without giving the slightest justification (...) or throwing around scientific jargon in front of their non-scientist readers without any regards for its relevance or even its meaning. We make no claim that this invalidates the rest of their work, on which we suspend judgment." (p. x)

But, as Dawkins states: "(...) a philosopher who is caught equating the erectile organ to the square root of minus one [4] has, for my money, blown his credentials when it comes to things that I don't know anything about." (Op. cit., p. 49)

The content of the texts they quote is painful and embarrassing. Painful for their obscurantism [5], embarrasing for the shamelessness with which certain preposterous things are proposed [6].

Interesting for their own sake are the two intermezzo's. The first, on epistemic relativism, deals with the strong (extremely relativistic) conclusions drawn from the works of (amongst others) Kuhn, Quine and Feyerabend. That this is much more than a purely scientific discussion is made clear by the example of a Belgian trial, in which an 'anthropologist of communication' was asked to give his views on the conflicting statements (concerning the -alledged- transmission of a key document) that were given by two witnesses. One claimed he had send it, the other denied having received it. The anthropologist (Professor Yves Winkin) claimed that there are only 'partial truths' to be found, and that there was therefore no fact of the matter to be decided upon. (p. 91-92) This is heavily disturbing. A child could tell you that it was (a) either send, or it wasn't, (b) it had, or it had not got lost on its' way, and that (c) it was either received, or it wasn't. What's very important in this matter, is the difference (pointed out by Sokal and Bricmont) between 'facts' and 'the assertion of facts' which are two fi9fferent things altogether (p. 93). Aside from the relevance epistemic relativism has for criminal investigations, Sokal and Bricmont discuss its relevance concerning education (if one teaches one's kids there are only partial thruths, relative truths, and not the truth, this discourages the development of a much-needed critical faculty), and the third world (where alternative medicine is still being practicized and sought after by a large percentage of the population [7]).

The second intermezzo, on the abuse of chaos theory by postmodernists, is as valuable for its critical discussion of the abuse of chaos theory, as it is for its generous introduction to that subject. The discussion does much to clarify misunderstandings concerning determinism, the correct interpretation of Laplace's writings, and the differences between chaotic and non-chaotic systems. [8]

Concluding this review, I can't put enough emphasis on the intellectual clarity, brevitas, and honesty of Sokal and Bricmont, who go through great lenghts to clarify their goals and methods, to ensure the correctness of their translations and who consistently annotate their remarks and references. Their clarity and method cannot be contrasted more sharply with anything else than the authors they dissect.


Notes:
[1] All page numbers, above and below, unless stated otherwise, refer to (quotations in): - Sokal, A. & Bricmont, J. (1998) Intellectual impostures: Postmodern philosophers' abuse of science. London: Profile Books. (Published in the United States as: Fashionable nonsense. Both are translations of the French original: (1997) Impostures intellectuelles. Paris: Éditions Odile Jacob.)
[2] Mill, J.S. (2001) Utilitarianism. 2nd edition. Indianapolis: Hackett. (p. 14.)
[3] 'Postmodernism disrobed,' reprinted in: Dawkins, R., (2003) A devil's chaplain. London: Weidenfeld & Nicholson, pp. 47-53.
[4] Dawkins is referring to Lacan, p. 25.
[5] Lacan: "It is there, however, that the meaning of the saying delivers itself, of that which, conjugating the nyania that noises the sexes in company, it makes up for the fact that, between them, the relation isn't." (p. 31)
Jean Baudrillard: "We shall not reach the destination, even if that destination is the Last Judgement, since we are henceforth separated from it by a variable refraction hyperspace. The retroversion of history could very well be interpreted as a turbulence of this kind, due to the hastening of events which reverses and swallows up their course. This is one of the versions of Chaos Theory - that of exponential instability and its uncontrollable effects. It accounts very well for the 'end' of history, interrupted in its linear or dialectical movement by that catastrophic singularity..." (p. 141)
Gilles Deleuze and Félix Guattari: "This time, following Lagrange's presentation, the depotentialisation conditions pure potentiality by allowing an evolution of the function of a variable in a series constituted byb the powers of i (undetermined quantity) and the coefficients of these powers (new functions of x), in such a way that the evolution function of that variable be comparable to that of the others. The pure element of potentiality appears in the first coefficient of the derivativ, the other derivatives and consequently all the terms of the series resulting from the repetition of the same operations." (p. 154)
Félix Guattari: "The symmetry of scale, the transversality, the pathic non-discursive character of their expansion: all these dimensions remove us from the logic of the excluded middle and reinforce us in our dismissal of the ontological binarism we criticised previously. A machinic assemblage, through its diverse components, extracts its consistency by crossing ontological thresholds, non-linear thresholds of irrversibility, ontological and phylogenetuic thresholds, creative thresholds of heterogesis and autopoiesis." (p. 157)
(Of course I am quoting things out of their context, but, to make up for it, I warmly recommend reading Intellectual impostures.)
[6] Jacques Lacan: "This torus really exists and it is exactly the structure of the neurotic. It is not an analogon; it is not even an abstraction, because an abstraction is some sort of dimunition of reality, and I think it is reality itself." (p. 19) A 'torus', according to the definition given by Sokal and Bricmont, is: "(...) the surface formed by a hollow tire" (p. 18).
Luce Irigay (according to "One of Irigay's American interpreters" i.e. Katherine N. Hayles) modestly proposes: "The privileging of solid over fluid mechanics, and indeed the inability of science to deal with turbulent flow at all, she [Irigay - MG] attributes to the association of fluidity with femininity. Whereas men have sex organs that protrude and become rigid, woman have openings that leak menstrual blood and vaginal fluids." (p. 101) Sokal and Bricmont drily note: "(...) solid mechanics is far from being complete, it has many unsolved problems (...) fluids in equilibrium or in laminar flow are relatively well understood. Besides, we know the equations (...) that govern the behaviour of fluids in a vast number of situations." (p. 104)
Irigay again: "If women have felt so terribly threatened by the accident at Chernobyl, that is because of the irreducible relation of their bodies to the universe." (p. 113)
[7] The Dutch philosopher Rudy Kousbroek tells a story about Gandhi, who was strongly opposed to 'Western' health care (which was sinful, and the study of which was nothing less than deepening the slavery of the people of India), but, when faced with appendicitis, chose to be taken care of by criminal European doctors (Kousbroek, R., (1997) Hoger honing. Amsterdam: Meulenhoff.).
[8] For another accessible (as well as philosophical) introduction to chaos theory and related subjects see: Ekeland, I. (2006) The best of all possible worlds: Mathematics and destiny. Chicago: Chicago U.P.

(c) 2009 Mattijs Glas


Terug naar boven / Back to top




Michel Onfray - De Kunst van het Genieten: Pleidooi voor een hedonistisch materialisme
Amsterdam: Ambo (1993)
Vertaling: Piet Meeuwse


plaatje Deze tijd, waarin ik getergd wordt door een in hevigheid fluctuerende maar aanhoudende combinatie van hoofd- en kiespijn, is ironisch genoeg de perfecte illustratie van het punt dat ik mij duidelijk wil laten maken, er is maar één iets – materie, en er is maar één taak, de verachting van de dood, ofwel genieten van het leven, het lichaam. "Het hedonisme is de kunst van deze verachting."

Typerend genoeg begint Onfray zijn pleidooi met een beschrijving van de hartaanval die hij twee jaar voor zijn dertigste onderging. De hartaanval, de operaties, en het daaropvolgende verblijf in het ziekenhuis waren voor Onfray een "(…) les in duisternis," die resulteerde in de taak "(…) het lichaam deelgenoot [te] maken van het bewustzijn, en het vlees [te] verzoenen met de intelligentie."

In het eerste, Methode genoemde deel, probeert Onfray, op overigens vrij overtuigende wijze, aan te tonen dat het begin van denken iets lichamelijks is, dat denken voortkomt uit het lichamelijke zijn. Niets geen radicaal Cartesiaans onderscheid tussen het res cogito en het res extensa, maar daarentegen is het bewustzijn, ons denken, onze rationaliteit, het bovenste (en trouwens niet minder materiele) topje van de ijsberg die wij ‘ons lichaam’ noemen.

Eerst dan als via Socrates’ daimon is ingegaan op de ideeën van Bergson en Valéry over intuïtie als zijnde de bewustwording van wat eerst een onbewust en langdurig proces van gisting in het lichamelijke heeft moeten ondergaan, beschrijft Onfray aan de hand van zeer veel (auto-)biografisch materiaal, op welke wijze ingrijpende, hevige, en daardoor belangrijke lichamelijke gebeurtenissen de grondslag hebben gevormd van zeer veel daaropvolgend, en daar dus secundair aan zijnd, denkwerk.

Hij noemt de drie in een nacht gedroomde dromen (volgend op een periode van extreem drank- en lichaamsmisbruik) die Descartes had, waarna hij aan het schrijven en filosoferen ging, ironisch genoeg op de antimateriële toer. Hij beschrijft de lichamelijkheid van Aurelius Augustinus, die eerst veel verleidingen en daarna een visioen, met alle daarmee gepaard gaande lichamelijke symptomen moest ondergaan, alvorens in de here te gaan. Hij noemt de ascetische Pascal, verpest door het christendom, die zichzelf erger heeft gefolterd dan menig inquisiteur een ongelovige. Hij verhaalt hoe Rousseau na decennia van mislukking door en dankzij een intens lichamelijke bewustwording van zijn innerlijk eindelijk filosofie gaat bedrijven. En natuurlijk komt ook de zowel meest lichaamsverafgodende als meest aan zijn lichaam lijdende filosoof, Nietzsche, aan bod. Laatstgenoemde heeft namelijk niet alleen een langdurige lofzang op Dionysus gezongen, maar ook geleden aan intense hoofd-, maag-, rug- en andere pijnen en ziekten, dankzij welke hij zich kon realiseren hoe belangrijk, hoe wijs, hoe invloedrijk het lichaam is; waarna en waardoor hij met doorleefde hand kon schrijven: "Er bestaan geen filosofieën, enkel filosofen."

Het tweede deel, Lichaam geheten, gaat in op het ascetisme in de filosofie en cultuur. Het eerste deel is getiteld: De verachters van de neus. Hierin wordt in vrij veel woorden beschreven hoe denkers als Kant een verachting kennen voor genot. Waar de oudheid nog hield van lekkere geuren, en daar veelvuldig gebruik van maakte, wordt de neus in latere tijden gezien als een verdorven orgaan. Alleen het gezichtsvermogen en het gehoor hebben, dankzij hun objectiviteit (Kant) –welke betiteling ze te danken hebben aan hun afstandelijkheid- nog enige vroomheid. "Hoe dichterbij het object, hoe sterker de weerzin die de filosoof bevangt: het afstand nemen van de wereld is een duidelijk symptoom van het beleden ascetisch ideaal. Het zien isoleert en verwijdert van de werkelijkheid. Het aanraken benadert het concrete en voert daarheen terug."

Onfray beschrijft daarop welke fundamentele functie de geur in ons biologisch systeem vervuld. Echter, als filosofen/denkers als Kant wél op geurtjes ingaan, dan is het op de negatieve, verdorven geuren. Daarop volgt een uitgebreide beschrijving van de twee typen nare geuren waar kant van walgt, namelijk de geur van negers, en de Foetor Judaïcus, de stank van joden. De immer sceptische Kant, de auteur van de grote Kritieken, gaat hier echter schaamteloos uit van tertiaire of kwartiaire literatuur, zonder ooit zelf buiten zijn woonplaats te zijn gekomen om zelf kennis te nemen van de stand van geuren. Zelfs de (zelf) joodse Marx maakt zich schuldig aan antisemitisme, zoals uit een groot aantal citaten blijkt.

In het tweede deel van dit hoofdstuk, De engelenmachine, wordt ingegaan op het ascetisme, de lichaamsverachting van auteurs als Origines, Aurelius Augustinus, Thomas van Aquino, Marcus Aurelius, de evangelisten en kerkvaders, en vermeend verlichte denkers als kant of Rousseau. Niet de sterke, gezonde mens wordt geprezen, maar "[d]e kluizenaar die in een graf zit opgesloten wordt het toppunt van adeldom. Het tijdperk dat zich aankondigt is er een van grote minachting voor het lichaam en van de grote verering van de hersenschimmen." Copulatie is weerzinwekkend en de hellegang bevorderend, behalve als dit in het huwelijk plaatsvindt, maar dan mag het alleen maar gericht zijn op voortplanting, nooit en te nimmer op begeerte. "De begeerte begeren - dat is de kardinale fout." (met nadruk op de etymologie van het woord kardinaal.) Het hoogst haalbare wordt gezien als de engelenfiguur, die in alles het omgekeerde van de mens is. "(…) het aardse schepsel is helemaal van vlees, huid en bloed, van materie en begeerte, dus zal het hemelse schepsel spiritueel, kuis en ongeslachtelijk zijn. Hoe dieper het dualisme zich ingraaft, hoe meer de mens zichzelf gaat haten (…)"

Maar in plaats van fysieke dwang, wordt nu gebruik gemaakt van de dwang van de onzichtbare, maar uitstekend voelbare, ethiek, wat Peter Sloterdijk in Regels voor het Mensenpark antropotechnieken noemt. De geest wordt alles, de materie niets. Dit is echter niet alleen te danken aan het christendom; ook de Stoa, het platonisme, en zelfs de ethiek van Epicurus hebben volgens Onfray bijgedragen aan deze streving naar het hogere ten koste van het aardse.

Het spanningsveld tussen Dionysus en Apollo wordt hier aangehaald om de boel te verduidelijken; waarbij de eerste natuurlijk het verderfelijke aardse representeert, en de tweede het tegenovergestelde. Onfray heeft het in deze over de castratiemachine (een woord met Deleuziaanse bijklank). Uiteraard trekt ook, of juist, de fallus in deze aan het kortste eind. De engel en de fallus worden aartsvijanden. In het verlengde daarvan moet ook Onan het bekopen. Uitgebreid wordt verhaald hoe de Verlichte Rousseau in zijn pedagogische standaardwerk Émile een draconisch conditionerend stappenplan ontwikkelt om de jeugd voor het gif van de zelfbevrediging te behoeden, en zo een "(…) dociel, onderworpen, passief, gehoorzaam, slaafs subject (..)" te ontwikkelen, een "(…) gecastreerde puber, een ontmande jongeman, een machteloze volwassene." (In de woorden van Onfray) Dichtgehamerde bedden, voortdurende pogingen tot associatie van lust met ziekte, het weerzinwekkende en de dood, bezigheidatherapie; Rousseau spaart zich geen middel.

Kant heeft hier ook weer wat te zeggen, maar niets nieuws, aangezien hij volgens Onfray slechts poogt de christelijke dogma's in juridisch deontologische termen te herschrijven. In deze vergelijkt Kant seks met genieten, consumeren, zoals "menseneters" (sic) doen. Wat genoeg zou moeten zegt over Kant's standpunt over de vleselijke liefde.

In de afsluitende paragraaf wordt Ludwig Feuerbach aangehaald als zijnde een van de eersten die structureel begint aan een immanente antropologie, waarin de mens zichzelf terug kan vinden, moet terugkeren uit de voorgaande eeuwen van vervreemding (van het lichaam, de subjectieve zintuigen, het genot, de neus, de aanraking, de smaak).

Alhier wordt Onfray voor het eerst constructief. In plaats van op te sommen hoe en waar en wanneer er wat er mis ging, begint hij hier aan de opbouw van een filosofisch hedonisme, zoals ons dat in het begin van dit boek beloofd was. Het lichaam moet weer als iets eigens worden beschouwd, als iets goeds, iets positiefs. Het bewustzijn, beschouwt als onderdeel van het lichaam, als product van neuronale processen, moet een structurerende rol gaan spelen, om aldus de aanwezige energieën op een positieve manier te kanaliseren, om zo aristocratie mogelijk te maken, niet in tegenspraak, maar in samenwerking met het lichaam. "Wetend dat je geniet, dat is het karakteristieke kenmerk van de menselijke soort in zijn verhouding tot genot." Wij kunnen genieten om te genieten, en dat is ons voorrecht, waar we iets esthetisch van moeten maken. "In dit perspectief moet elk zintuig behandeld worden als iets dat een esthetische toegang biedt tot de werkelijkheid." Zoals Proust met geuren omging. We hebben een esthetische gastronomie nodig, moeten de huid met al zijn receptoren bejubelen, een poëtica van de muziek construeren. Kortom: van ons lichaam een kunstwerk maken.

Bij het hoofdstuk Deugden wordt een citaat van Chamfort gebruikt, dat ik, uiteraard, in mijn eigen bundel (Wennen aan de hel) terug moest vinden. Wat bleek? Hetgeen Onfray aanhaalt was het enige dat ik in dat 140 pagina's tellende werk had aangestreept.

Onder het subkopje De vrolijke wetenschap van het hedonisme wordt verhaald over vele verschillende hedonisten, van de oudheid, via de donkere middeleeuwen (veel hedonistische teksten uit die tijd hebben de overlevering niet overleefd), de Verlichting, de romantiek, naar het heden. Beschreven worden diverse sekten die foetussen bakken (abortuspaté), sperma drinken, en wat dies meer zij. Moeizaam is hier dat Onfray niet duidelijk aangeeft waar hij pre- en waar hij descriptief bezig is, wat tot veel vragen lijdt over zijn goedkeuring of filosofische waardering van laatstgenoemde praktijken. In ieder geval gaat hij prat op alles wat on-christelijk of on-ascetisch is.

Het hedonisme beschrijft Onfray aan de hand van Nietzsche's grote Ja en Nee. De hedonisten zeggen "(…) ja tegen het leven, de vrolijkheid, het genieten, het plezier, (…) Nee tegen de moeite, tegen de pijn, tegen de onthechting (…)."

In tegenstelling tot zijn 'normale' betiteling kritiseert Onfray Epicurus daarnaast als zijnde negatief en reactief; voornamelijk bezig met het vermijden van, in plaats van positief en actief; op zoek naar. Het atheïsme wordt gezien als de "(…) mogelijkheidsvoorwaarde van het hedonisme: het bestaan van God is onverenigbaar met de vrijheid van de mensen."

Daarna komen, uiteraard, "(…) La Mettrie en Sade, de twee symbolen van het hedonistisch materialisme (…)" aan bod. Eerstgenoemde wordt geportretteerd als de rebelse arts, die van zijn leer een praktijk maakt, en de tweede wordt gerehabiliteerd als zijnde meer dan louter pornograaf, aan zijn boeken gaat een hele filosofie vooraf, waarin hij blijk geeft van een radicaal materialisme, van immanentie, van noodzakelijkheid. Sade viert de lichamelijkheid in al zijn facetten, en bouwt dat op uit een fysiologische typering van de mens als dier, bestaande uit vele zenuwen, ingewanden, gevoelens, die stuk voor stuk bestaansrecht hebben en gekoesterd, zelfs verwend moeten worden. Zijn denken is echter ook solipsistisch; de ander bestaat alleen als "(…) modificaties in mijn eigen materie."

Deze laatste pagina's wordt Onfray echter zeer slordig, en illustreert hij op treffende wijze dat de argumentatie, de inhoud, niet zijn sterkste kant is. Hij gebruikt Nietzsche's befaamde stuk over sterrenvriendschap, slordigerwijze, op een domme, verkeerde manier, gebruikt pleonasmen ("toekomstgerichte eschatologie"), en spreekt zichzelf tegen door een denker die hij voortdurend en weldoordacht quote te betitelen als "(…) enkele ogenblikken aandacht waard (…)". En dat in slechts twee pagina's: een schril contrast met de voorgaande bladzijden. Daarna geeft hij blijk van achterhaald utopisme door te spreken over een toekomst waar "alles van iedereen zal zijn." - terwijl hij eerder nog egocentrisme bepleitte, om vervolgens, terwijl hij een doordacht, fervent Nietzscheaan is (of scheen te zijn), wederom een utopistische kritiek op de kudde-instincten van de mens te geven, alsof de meerderheid ooit zonder zal kunnen. Daarop volgt weer individualistisch relativisme.

Onfray eindigt met een oproep tot het creëren van een eigen stijl, "(…) een vanzelfsprekende subjectiviteit die zich beweegt buiten het voorspelbare en ook de ander opneemt in een hedonistisch streven." Waarbij de leidraad, de categorische imperatief van het hedonisme als volgt wordt geformuleerd: "Genieten en laten genieten."

Concluderend kan worden gesteld dat dit boek een mooie, bij vlagen poëtische beschrijving geeft van een manier van leven en denken die de afgelopen eeuwen in het verdomhoekje stond, als het al een plaats toegewezen kreeg. Voor iedereen die overweegt te stoppen met roken, met drinken, of met het beginnen aan een dieet - zal dit werkje stof tot denken, en misschien zelfs twijfel zijn.

(2008)


Terug naar boven / Back to top




J.J. Rousseau - Vertoog over de ongelijkheid
Amsterdam: Boom (2000, 3e druk)
Vertaling: Wilfried Uitterhoeve


plaatje De 18e eeuwse Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) schreef dit boekje in 1755 en legt er in uit hoe de condition humaine er vóór de sluiting van het 'maatschappelijk verdrag' uitzag. Hij doet dit in twee samenhangende essays, die, chronologisch, de overgang van een natuurstaat waarin geen ongelijkheid bestaat, naar het ontstaan en toename van de ongelijkheid behandelen.

In het voorwoord schrijft Rousseau: "O mens, uit welke streek je ook komt en welke meningen je ook hebt, luister! Dit is de geschiedenis zoals ik haar heb menen te mogen aflezen, niet uit de boeken van je soortgenoten die leugenaars zijn, maar uit de natuur die nooit liegt."

Het eerste essay is minstens even poetisch van toon, en eigenlijk één grote lofzang op de natuurtoestand zoals die Rousseau voor ogen stond, het eerste stadium. De oorspronkelijke mens, die solitair, leefde was fysiek superieur, had geen last van luxe-problemen (zoals verveling, overwerk, indigestie, nachtbraken, geestelijke uitputting), en was ook moreel superieur. Vervolgens speculeert hij over het ontstaan en de rol van taal voor (het ontstaan van) samenlevingen. Taal was efficienter dan gebaren maken, en kwam zo in gebruik, waarna men vervolgens begon te abstraheren en concepten creerde, waardoor de geest dan weer werd gestructureerd.

En liefde (in 'zedelijke' zin) bestond in de natuurstaat ook nog niet, aangezien dat berust op ideeën over schoonheid of nuttigheid, van welke de natuurmens geen weet had.

In het tweede deel beschrijft Rousseau aldus onze 'zondeval'. Met de komst van bezit en eigenaarschap begonnen de vele "(...) misdaden, oorlogen, moordpartijen, ellende en verschrikkingen" (p. 91).
Alles begon met het ontstaan van het tweede stadium, het gezin, waaruit arbeidsdeling voortkwam. Toen men daarna ook nog eens gereedschappen ging gebruiken ontstond er overvloed, waar men aan gehecht en door afgestompt raakte, en tevens fysiek door verwekelijkte. Daarnaast ontstond de liefde en daardoor weer de jaloezie.

Weer een stapje erger werd het toen dorpjes e.d. ontstonden, waardoor ineens ook ijdelheid en minachting, schaamte en nijd ontstonden. Ook ontstond er meer verleiding om te stelen waardoor er ook weer behoefte aan strengere straffen kwam alsook een opkomst van wraakzuchtige neigingen.

Ook onderstreept Rousseau hetzelfde punt als Jared Diamond in Guns, Germs and Steel maakt, namelijk "Een van de beslissende redenen waarom Europa zoal niet een oudere dan toch een meer constante en hogere beschaving heeft gekend dan de andere werelddelen kan geweest zijn dat daar het ijzer het overvloedigst voorhanden was en het graan het beste gedijde." (p. 100) Uit deze vaardigheden (c.q. het ontstaan van landbouw en metallurgie, het derde stadium) kwam weer een verdergaande impuls ten behoeve van arbeidsdeling voort.

Het mededogen dat de mens van nature eigen is komt dankzij eenieders usurpaties en bandieterijen onder druk te staan en moet plaats maken voor gierigheid, eerzuchtigheid en slechtheid. Om dit gevaar te beteugelen ontwerpt de rijke (ter bescherming van zijn goederen) de 'maatschappij' en de daar bijhorende wetten, die "de zwakke nieuwe kluisters aanlegde en de rijke nog meer macht gaven." (p. 107)

Alhoewel de meeste van Rousseau's standpunten dankzij nieuwe technologieen en archeologische methoden zijn achterhaald, is het boekje toch leuk leesvoer dankzij ten eerste Rousseau's mooie schrijfstijl en de bevlogenheid die daaraan vooraf gaat. Ten tweede omdat het ontzettend veel invloed heeft gehad op latere denkers, en het dus goed is te weten waardoor zij zich geinspireerd voelden. Daarnaast heeft Rousseau een grote invloed gehad op politiek activisten zoals daar zijn Robespierre, Napoleon, en Che Guevare.

Ten derde omdat het gewoon een buitengewoon boeiend en interessant stuk is- Rousseau werpt leuke hypothesen op die hij min of meer grondig onderbouwd, geeft stof tot denken, en komt ook met prachtige oneliners zoals bijvoorbeeld:

"(...) de wilde leeft in zichzelf; de mens in de maatschappij, altijd buiten zichzelf levend, kan alleen maar leven vanuit de opvattingen van anderen." (p. 125)


Terug naar boven / Back to top




Epicurus - Over de natuur en het geluk
Groningen: Historische Uitgeverij (1998)
Vertaling: Keimpe Algra


plaatje Dit werkje in de serie Filosofie & retorica bevat, helaas helaas helaas helaas, ongeveer 99% van de restanten van de door Epicurus geschreven boeken. De rest is óf simpelweg niet overgekomen, óf vernietigd door diegenen die in de loop van de geschiedenis het bestaan van een naturalistische, atheïstische hedonistiek niet naast zich konden dulden, want echt immens populair is Epicurus [geheel onterecht natuurlijk] nooit geweest. In zijn befaamde Tuin had hij anno 300 v. Chr. een klein clubje volgelingen om zich heen verzameld die zich wel in zijn standpunten in konden leven en "(...) tegelijkertijd lachen en filosoferen en het huishouden bestieren en onze overige bezittingen gebruiken, en nooit ophouden de woorden van de juiste filosofie te spreken." [SV 41]

Naast een uitstekende en zeer uitgebreide inleiding (van 65 p. - tegenover ongeveer 80 p. door Epicurus geschreven teksten) van Algra, bevat dit boek de drie door Diogenes Laertius vrijwel intact overgebrachte Brieven aan...., de [ook weer dankzij Diogenes overgeleverde] Authentieke Leerstellingen [RS] en de Vaticaanse Leerstellingen [SV] (in 1888 in een boek afkomstig uit de bibliotheek van het Vaticaan opgediept).

De Brief aan Herodotus geeft Epicurus' physica weer [zijn atoomleer*, zijn epistemologie, zijn kosmologie, zijn philosophy of mind], en de Brief aan Pythocles zijn meteorologie, waarin hij ook stelt dat degene die zich aan één theorie vastklampt en de andere verwerpt, "(...) alles wat natuurwetenschap is achter zich laat en vervalt tot de mythe." **

De Brief aan Menoikeus geeft Epicurus' door zijn physica ondersteunde ethiek weer. Deze kan alleen goed begrepen worden met in het achterhoofd Epicurus' definitie van lust, te weten – "(...) een toestand, waarin het lichaam geen pijn heeft en de ziel niet verontrust wordt."

Dit begrip van lust is de lust die bedoeld wordt in Epicurus hedonisme. Het streven naar geluk, naar genot, is volgens Epicrus het sine qua non van het menselijk leven, dat ten volle moet worden omarmt. Angst voor de dood is niet nodig omdat er geen hel is om naartoe te gaan, in werkelijkheid is de dood niets, de ontbinding van de atomen waar je lichaam uit bestaat, en aangezien je als je dood bent niets waar kunt nemen, is er ook niets om bang voor te zijn. In tegenstelling tot de moderne notie van hedonisme pleit Epicurus voor iets dat daar radicaal tegenovergesteld aan is- het meest wordt van overvloed genoten door mensen die er het minst behoefte aan hebben, en door je [niet altijd] te wennen aan een sobere levensstijl draag je bij aan je gezondheid en 'train' je voor slechtere tijden, waardoor je ook minder bang voor het toeval hoeft te zijn.

Ook de RS en SV zitten vol met mooie wijsheden, oneliners en diepe gedachtegangen. Epicurus heeft het hierin onder andere weer over zijn ethiek, zijn hedonisme, veiligheid, wijsheid, verschillende soorten verlangens, de genealogie van het recht en rechtvaardigheid (Epicurus heeft een Hobbesiaanse notie [of omgekeerd- Hobbes heeft een Epicureïsche notie] - 'recht is een afspraak', en 'niet iets dat op zichzelf staat, maar het is telkens een verdrag'), psychologische ideeën, vriendschap, en het aan sociale interactie voorafgaande egoïsme.

Kortom, zoals mijn vader het formuleerde, Epicurus is iemand die heel lang geleden bijna alles wat belangrijk is al heeft bedacht.

In de boekhandel nog geen € 25,00, eigenlijk natuurlijk een schijntje voor een zo mooi uitgevoerd, gebonden, boek, dat het gehele oeuvre van Epicurus bevat. Voor de pocket-liefhebbers is er ook nog De grondbeginselen van het goede leven (Bert Bakker 2005, € 9,95) die uittreksels van bovenstaande bevat.

(2007)

* Zie voor een vergelijking van Leucippus'/Democritus'/Epicurus'/Lucterius' atoomleer met de moderne het hoofdstuk 'Quantum Theory and the Roots of Atomic Science', uit de bundel Physics and Philosophy van Werner Heisenberg.

* Zie voor een overzicht van het continuüm dat bij de antieke ideeën m.b.t. het atomisme begint en bij de moderne opvattingen eindigt The Birth of Reason van Louis Dudek.

** Op de op het 1e gezicht treffende overeenkomst tussen dit citaat en Popper's ideeën gaat Algra in de inleiding in.


Terug naar boven / Back to top




Natuurlijke intelligentie - Wim van de Grind
Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds (1997)
- Een kritische beschouwing -


plaatje Toen ik een tijdje geleden het vak Inleiding cognitiewetenschap volgde, geleid door Ignace Hooge en Harald Kunst (over beide trouwens niets dan lof), werden er, zoals dat bij een goede collegereeks gaat, veel boeken besproken en aangeraden. De titels die ik nog niet kende werden door mij nauwkeurig in de kantlijn van mijn schrift genoteerd, om vervolgens in mijn te-lezen-lijst te worden neergepend. Een van de meegedeelde titels was Natuurlijke intelligentie van Wim van de Grind (tegenwoordig met emiraat). Er werd ook verteld dat het boek door Uitgeverij Nieuwezijds in zijn geheel te downloaden was, en wel hier! Tijdens een bezoekje aan de Slegte in A'dam kwam ik het boek in papieren vorm tegen. Ik kocht het niet (zuinigheid), maar mijn geweten begon, zoals bijna altijd in zulke gevallen, te knagen, en ik ging terug om het boek alsnog te kopen.

Omdat ik wel meer te lezen heb kwam het (ik kan niet zeggen Helaas, want ik heb in de tussentijd heel veel goede boeken gelezen) pas afgelopen mei tot opening van het boek.

Meteen was duidelijk waarom het toentertijd aangeraden werd. Het is oorspronkelijk (het verscheen in 1997) opgezet als 'studieboek bij een multidisciplinaire cursus aan de Universiteit Utrecht' (Inleiding cognitiewetenschap??), en bevat naast de lopende tekst stukken in een afwijkende druk om zo duidelijk te maken dat die bedoeld zijn voor degenen die van plan waren tentamen in het desbetreffende vak te doen.

Het is een kundig, breed opgezet boek, dat voor mensen van velerlei inslag interessant zal blijken. Zo ook voor mij. Omdat ik een multidisciplinaire aanpak van het lichaam-geest probleem voorsta (en beoefen) moet ik dit boek mijn lof toekennen. Grind bespreekt met nuchtere geest psychologie, neurologie, evolutie en filosofie, en is uiterst kritisch in zijn uitleg van problemen, analyses en theorieën. Langzaam legt Grind de grondproblemen uit en bouwt daar definities op die steeds worden aangepast aan de als laatst besproken gegevens.

Grind komt zelf uit de fysica maar staat met stevige voeten in de biologie, en dat valt te merken. Steeds wordt gehamerd op een natuurwetenschappelijke aanpak (en terecht), en wordt er gezocht naar harde onderzoeksresultaten. Opvallend is dat Grind (p. 96) een mooi voorbeeld geeft van wat Owen Flanagan (p. 11 aldaar - zie literatuurlijst onderaan dit stuk) de natural method noemt: Het aanpakken van het lichaam-geest probleem vanuit (drie) verschillende invalshoeken. Luister naar wat mensen zeggen over hoe zij dingen beleven (fenomenologie), kijk naar wat psychologen en andere cognitieve wetenschappen te zeggen hebben over hoe onze geest werkt, doe de onderdelen daarvan interacteren, en kijk vervolgens of de neurologen iets kunnen zeggen over hoe die processen in de hersenen gerealiseerd kunnen worden (vergelijk hiermee ook Marr's Tri-Level hypothese). Grind volgt dit schema min of meer als hij bij de bespreking van de analyse van een probleem (richten zilvermeeuwen zich op de snavel van hun moeder, of op de rode vlek daarop?) achtereenvolgens de ethologie (gedrag), een exploratieve perceptiestudie (psychologie), psychofysica en de vraag of individuele cellen of neuronale netwerken de focus bepalen (neurobiologie) noemt.

Ook de mens-als-computer metafoor wordt hard aangevallen op grond van voornamelijk biologische overwegingen, en zo wordt ook het functionalisme behandeld. Ook de technische filosofische problematiek komt dus uitgebreid aan de orde, zij het met enkele manco's.

Hij maakt bijvoorbeeld een onderscheid tussen persoonlijke en wetenschappelijke kennis, en stelt vervolgens (denk aan Gould's NOAM) dat '(...) op de twee terreinen geloof en natuurwetenschap totaal verschillende spelregels gelden.' (p. 76) Helaas, want tegen die stelling valt veel in te brengen (Stenger). Gelovigen die hun god namelijk specifieke eigenschappen toebedelen uiten op die manier bepaalde hypothesen (god is nodig voor moraal, god houdt van mij, god heeft de mens geschapen) die zonder pardon (natuur-) wetenschappelijk onderzocht kunnen worden (overtreden niet-gelovigen vaker de wet? geneest een gelovige sneller dan niet-gelovigen? ziet de mens eruit als ontworpen door een slimme ontwerper?) Eerder stelt Grind dat persoonlijke kennis over vooroordelen, geloof en kunst niet toetsbaar is (p.64). Verderop (p. 127 e.v.) geeft Grind het beste tegenvoorbeeld als hij zelf een uitgebreide analyse van kunst geeft. Ook vooroordelen en geloof zijn trouwens toetsbaar (zie respectievelijk Pinker -p. 204-, en Stenger).

Iets anders waar ik mij steeds vaker aan erger is dat men historische bronnen niet denkt te hoeven annoteren. Als Grind een zin met 'Volgens Locke...' begint wil ik toch graag weten waar Locke datgene stelt. Helaas ontbreekt zelfs een vermelding naar een boek van Locke in de literatuurlijst!

plaatje Een verdere verwaarlozing van de filosofische aanpak blijkt uit Grind's erbarmelijke bespreking van Paul M. Churchlands ideeën (p. 185 e.v.), zoals iedereen die Natuurlijke intelligentie naast Matter and consciousness legt kan zien.

- Grind noemt het onredelijk als Churchland (volgens Grind dan) aan de term 'niet-fysisch' de woorden 'something forever beyond the scope of sciences like physics, neurophysiology, and computer science.' toevoegt. Dit is echter een kwestie van nauwkeurig lezen, want voorafgaand aan het geciteerde schreef Churchland (p.7): "The dualistic approach to mind encompasses several quite different theories, but they all agreed that the essential nature of conscious intelligence resides in something nonphysical, in something forever beyond the scope (...)." Churchland maakt dus duidelijk dat niet hij die attributen aan het woord niet-fysisch toekent, maar diegenen die een dualistische theorie aanhangen (hij noemt Descartes en Popper & Eccles in zijn literatuurlijst), waarover Churchland zelf dus al schrijft dat die 'encompasses several quite different theories'. Forever is misschien inderdaad een wat groteske term, maar tot nu toe heeft dan ook geen enkele wetenschap iets relevants over niet-fysische dingen weten te zeggen. Het bedenken van niet-fysische mechanismen zou ook een leuk gedachte-experiment zijn.

- Grind beticht Churchland er vervolgens van dat hij alle dualisten op een hoop gooit, en de mogelijkheid van onanalyseerbaarheid over het hoofd ziet. Echter, het hoofdstuk waaruit Churchland geciteerd wordt heeft als titel "The Ontological Problem (the Mind-Body Problem)", en niet "The Epistemological Problem".

- Daarna zegt Grind dat Churchland ongenuanceerd is omdat die in zijn evaluatie geen onderscheid maakt tussen eigenschaps- en substantiedualisme (p. 190-191). Wie Matter and consciousness er echter bijpakt zal zien dat Churchland nota bene verschillende kopjes voor de twee denkstromingen heeft gemaakt.

- Nog een mislezing van Churchland vindt plaats (p. 191) als Grind zegt dat deze alle dualisten wetenschappelijk verdacht probeert te maken door aan irriducibel lijkende verschijnselen parapsychologische fenomenen toe te voegen. Terwijl Churchland eigenlijk -nuancerend- het volgende schrijft: "Finally, parapsychological phenomena are occasionally cited in favor of dualism." [mijn cursivering - MG]

- Als laatste noem ik het volgende. Grind stelt dat Churchland het voordeel dat dualisme aansluit bij de eigen ervaring en introspectie ontzenuwt door erop te wijzen dat introspectie, waarneming en intuïtie niet te vertrouwen zijn. Dat is echter ook niet waar. Wat Churchland betoogt is niet dat dualisme geen voordeel biedt omdat introspectie evenals onze andere observatiemogelijkheden onbetrouwbaar is, maar dat het argument van introspectie ("(...) mental states and properties as revealed in introspection, could hardly be more different from physical states and properties (...)" p. 13-14 in Churchland) onbetrouwbaar is omdat net zoals een appel voor ons een appel lijkt, en geen klompje atomen, onze waarneming van onze innerlijke processen voor ons in het geheel niet lijkt op een neuraal netwerk vol electrochemische activiteit.

De bespreking van (filosofisch!) realisme en idealisme (beslecht in het voordeel van het realisme) is echter technisch zeer sterk (p. 196 e.v.). Grind denkt het homunculus-probleem op te lossen door de waarnemende homunculus te laten samengaan met het organisme waar deze inzit (vergelijk ook Humphrey, p. 70 & Hofstadter, hoofdstuk XX -waar het Hofstadter echter bijna 700 pagina's kost om tot zijn soortgelijke conclusie te komen, doet Grind dit in minder dan 200 pagina's!! Waarvoor hulde!- ).

Bij Grind's bespreking van epifenomenalisme (p. 239-231) wordt het echter conceptueel weer zeer verwarrend dankzij het ontbreken van een degelijke filosofische analyse van (verschillende soorten van) bewustzijn. Grind's bespreking van functionalisme leidt dan echter weer wel tot grondige overdenking van deze stroming. Grind kan aldaar echter weer op een misser worden betrapt als hij eerst (p. 195) schrijft dat '(...) de functionalist [meent] dat alles wat over levende systemen te weten valt in termen van functies beschreven kan worden, zelfs onafhankelijk van de 'belichaming' van die functies.' En vervolgens (overtuigend) tegenwerpt dat niet alles op elke schaal of met elk materiaal kan, om vervolgens te concluderen: 'functionalisme is fysisch gezien pure nonsens.' Terwijl hij alleen (overtuigend) heeft aangetoond dat het functionalisme-op-alle-schalen onzin is, niet wat betreft de (hele) inhoud ervan, zoals door hemzelf gegeven ('Als je de functie nabootst heb je het mentale proces nagebootst, vinden vele functionalisten.' p. 243.)

In deze context moet ook worden opgemerkt dat Grind zelf een voorbeeld geeft van -biologische- multiple realizability:

'Terwijl de codon AGA bij de vertaling van RNA in de constructie van eiwitmoleculen betekent dat er arginine moet worden aangemaakt, had het net zo goed en even compatibel met de natuurkunde, kunnen coderen voor een andere stof. Bij de fruitvlieg is dat zelfs zo en codeert AGA voor senine. Kortom, wat hier voor de bioloog interessant is, is fysisch arbitrair.' p. 93. Dennett -1997, p. 68 - gebruikt overigens precies zo'n voorbeeld in het voordeel van functionalisme.).

Verder biedt dit boek een grondige psychologische/neurologische analyse van Block's P- en A-consciousness, uitgebreid met Grind's eigen gedachten daarover (T- en E-bewustzijn). Voer voor zowel psychologen als filosofen.

Iets verderop komt men vervolgens een veroordeling van de mens-computer vergelijking tegen. Daar valt veel tegen te zeggen (zie ook -e.g.- Edelman), maar sommige aspecten worden mijns inziens vaak verkeerd besproken. Zo stelt Grind het volgende: "De ingeslepen metafoor 'computerprogramma' is feitelijk onjuist, omdat een hersenprogramma een plan voor actie is en computers geen eigen plannen voor actie ontwikkelen. Dat doen de programmeurs en eigenlijk zijn computerprogramma?s dus mensprogramma?s." (p. 281-282) Wat hier misgaat is dat Grind vergeet dat mensen (en andere dieren), (zoals hij zelf ook stelt) hersenprogramma's hebben, die echter zijn ontwikkeld dankzij het evolutionaire proces. Te zeggen dat computers geen eigen intentionaliteit hebben (waar Grind's stelling op neerkomt), is te zeggen dat mensen die ook niet hebben. Wij doen uiteraard veel op het gebied van plannen maken, maar doen dat dankzij de ingewikkelde combinatie van goede genen met adequate omgevingsstimuli. Zonder onze aangeboren (leer-) programma's zouden wij 'er' ook niet zoveel van bakken (zie ook Dennett's bespreking van original & derived intentionality, in Dennett 1989, hoofdstuk 8).

Resumerend kan worden gesteld dat Natuurlijke intelligentie een zeer interessant, goed uitgewerkt, en aan te raden boek is, alhoewel de filosofische gedachtegangen een betere doordenking verdienen. Maar daar moet de lezer zelf zijn handen natuurlijk ook aan durven te branden.

Gebruikte literatuur:
- Churchland, P.M. (1988) Matter and consciousness. (Rev. ed.) MIT Press.
- Dennett, D.C. (1989) The intentional stance. MIT Press.
- Dennett, D.C. (1997) Kinds of minds. Weidenfeld and Nicholson.
- Edelman, G. (1992) Bright air, brilliant fire. Penguin Press.
- Flanagan, O. (1992) Consciousness reconsidered. MIT Press.
- Grind, W. van de (1997) Natuurlijke intelligentie. Uitgeverij Nieuwezijds.
- Hofstadter, D.R. (1979) Gödel, Escher, Bach. Harvester Press.
- Humphrey, N. (1986) The mind's eye. Oxford U.P.
- Pinker, S. (2002) The Blank Slate. Viking.
- Stenger, V.J. (2007) God: The failed hypothesis. Prometheus Books.


Terug naar boven / Back to top




Joep Dohmen - Het Leven als Kunstwerk.
Stichting Maand van de Filosofie (2008)
- Een kritische beschouwing -


plaatje Dit boekje is, voor zover ik weet, veruit het dikste Essay van de Maand voor de Filosofie ooit geschreven. Ter vergelijking: het essay Lijdenslust van Marcel Möring (ook een aanrader btw) uit 2006, telde 94 pagina's, tegenover de 219 pagina's die dit werkje telt.

Dohmen heeft zijn best gedaan om veel te schrijven, maar hoe is de inhoud? In deze beschouwing beperk ik mij tot een kritische beschouwing van dit boekwerk. De afgelopen jaren heb ik zelf ook een min of meer uitgebreide mening gevormd over wat levenskunst is en hoe het zich moet voltrekken. Dit eigen denkwerk zal zeker naar voren komen, maar zeker niet de hoofdmoot vormen. Het is nu de tijd noch de plaats voor een uiteenzetting van mijn eigen ideeën.

Mijn grootste eigen vraag met betrekking tot levenskunst is de vraag naar het 'Hoe?'. De meeste auteurs die zich erover uitlaten zijn zeer terughoudend in het formuleren van een programma. Dit kan natuurlijk komen doordat ze van mening zijn dat iedereen zijn eigen weg moet volgen, maar dat zaagt dan meteen de poten weg onder alle levenskunstige literatuur: als ik het zelf moet doen, wat heb ik dan aan jou informatie?

Dohmen heeft vooral aandacht voor het samen-leven, de belangrijke ander die een belangrijk deel van de levenskunst vormt. Maar dat is niet waar hij mee begint. De eerst tientallen pagina's zijn vooral secundaire literatuur- beschrijvingen van wat andere auteurs over het onderwerp te zeggen hadden. Dohmen gaat vooral zeer diep in op het latere werk van Foucault, nadat die de overstap van 'overheersings- en machtstechnieken' naar 'de technieken van de persoonlijke verzorging' (p.68) had gemaakt. Ideeën die hij vooral uit analyse van klassieke en middeleeuwse schrijvers putte. Van publicatie van zijn eigen uitgewerkte ideeen over hoe we het nu moeten doen is het, wegens een door hem testamentair geclaimd moratorium op publicatie van 'nagelaten werk'. Dohmen probeert aldus in de voetsporen van Foucault te treden, af te maken waar die aan begonnen is, en de fouten te kritiseren die hij gemaakt had.

De beantwoording van mijn 'Hoe?'-vraag kwam opzetten in hoofdstuk II.3 (Klassieke Praktijken van Levenskunst), waar Dohmen de klassieke levenskunst bespreekt, die technieken en methoden bezat, die het opsommen hier wel waard zijn. Dohmen destilleert de volgende (door mij niet compleet weergegeven) (naar levenskunstige maatstaven tamelijk praktische) lijst.

(1) De kunst van het omgaan met tijd- zelfzorg is nooit af, maar een levenslang proces van oefening en aandacht.

(2) De kunst van het schrijven- 'zichzelf te leren kennen via dagboeken' (p. 62), 'Je noteert wat je belangrijk vindt in boeken, brieven, lessen, gesprekken of andere mededelingen, en daarna lees en overdenk je die notities.' (p. 63) Met natuurlijk als grote voorbeeld Marcus Aurelius' Ta eis Heauton (De dingen tot zichzelf).

(3) De kunst van het vrijmoedig spreken ('Parrèsia') - In de woorden van Foucault: "Met parrèsia gebruikt de spreker zijn vrijheid en verkiest hij vrijmoedigheid boven vaste overtuigingen)...' het risico van de dood boven leven in zekerheid (...)" (p. 64).

Interessant is de daaropvolgende kritiek op het christendom, vooral afgezet tegen de filosofie van de Stoa (Aurelius, Seneca e.a.) "Volgens de Stoa moet het individu zijn eigen leefregels bewaken. Dit is een privé-aangelegenheid. (...) De christelijke boeteling onderzoekt scrupuleus zichzelf en onthult zichzelf aan de geestelijk leider. Deze kerkelijke functionaris (priester, abt, bisschop) is de autoriteit die over de betekenis van de onthulling beslist." (p. 71)

De claim is dat in de laatmoderne tijd (onze tijd) de aandacht voor levenskunst grotendeels is verdwenen, verwatert, of vervormt. In hoofdstuk III, (Laatmoderne Levensstijlen) wordt een kritische analyse gemaakt van de in onze tijd beschikbare modellen voor zelfsturing (e.g spiritualiteit, zen, genietend leven). Ook wordt hier verder ingegaan op de 'boodschap' van Foucault. "De voornaamste les van Foucault is dat zelfsturing los van betekeniskaders, zonder de inbreng van anderen en zonder zelfzorg, een fictie is. Het liberale ideaal van onbegrensde vrijheid is een gevaarlijke illusie. Er zijn juist continu allerlei structuren, codes en regels werkzaam die de individuele keuze- en handelingsvrijheid inkaderen, beïnvloeden en begrenzen. (...) Aan beheersing valt te ontkomen, aan beïnvloeding niet." (p. 87)

Dohmen geeft in zijn analyses echter blijk van cultuurrelativisme ("(...) individuen, groepen en hele culturen worden door het dikke-ik als achterlijk terzijde geschoven." p. 21) en een tabula rasa-denken ("(...) de veronderstelling dat de mens een ware aard heeft (...)" p. 87, "Innerlijke transformatie betekent jezelf wezenlijk veranderen." p. 98), noties die ik zowel gevaarlijk vindt alsmede achterhaald zijn (zie voor kritiek op de eerste notie bv. Paul Cliteur's Moderne Papoea's of God Houdt Niet van Vrijzinnigheid, zie voor kritiek op het laatstgenoemde concept het geweldige boekwerk The Blank Slate, van de Amerikaanse [evolutionair-] psycholoog Steven Pinker).

Ernstig wordt het tijdens de beschrijving van het Spiritueel Leven (p. 90 e.v.), waar bij Dohmen bewondering voor te vinden valt, evenals verdediging. Na een nog te slikken overzicht volgt plots de volgende passage die ik voluit weer zal geven.

"Spirituele levenskunst beoogt transcendentie. Transcendentie is een toestand van wijsheid, een hogere staat van zijn. Dat is geen pure cognitie, zoals de kennis die je hebt als je hoort dat het vijf uur is (...). Het is ook geen toestand van praktische wijsheid waarin je een vaardigheid hebt opgedaan, zoals leren autorijden. Het is al helemaal niet de toestand van een hoogleraar filosofie. Transcendentie is een geestelijke toestand, een hoger weten. Deze hogere manier van wijs zijn kan men slechts bereiken na jarenlange ascese en intense concentratie. Het is een wijsheid - niet-zintuiglijk, niet-discursief, niet-talig - waarin je onthecht bent van je lichamelijke verlangens, van je emoties en je waarderingen. In deze mystieke toestand transcendeer je je alledaagse ik en val je samen met de goddelijke geest die het universum doortrekt. Deze toestand is per definitie onuitsprekelijk en onbeschrijfelijk. Als zodanig verschaft ze een diepe vreugde aan degene die haar heeft bereikt. De echte spirituele levenskunstenaar weet dat en daarom verlangt hij er heftig naar." (p. 97)

Ik laat het bij drie opmerkingen:

(1) De benadrukking van de tijd en moeite die nodig zijn om zover te komen, naast de opmerking dat deze staat niet besproken of besproken kan worden, in contrast (lees: minstens inconsistent, maximaal samen innerlijke tegenstrijdigheid) met de laatste zin.
(2) De opmerking die ik in de kantlijn schreef: "Een volgeling van Nietzsche die dit kan schrijven zónder schaamrood op de kaken :s bravo!"
(3) De lol de immuniseringtechnieken en dualistische uitgangspunten uit de tekst te halen laat ik aan de lezer zelf over.

Het stuk over spiritualiteit afsluitend schrijft Dohmen het volgende:

"Het is een van de vele laatmoderne stompzinnigheden om alles wat met spiritualiteit te maken heeft, af te doen met het predikaat 'zweverig'. Dat heeft ten dele te maken met de dominantie van het politieke en het morele discours, ten dele met de dominantie van de markt en de platte hedonistische tijdsgeest." (p. 98)

In tegenstelling tot de onnavolgbare verdachtmakingen van Dohmen (e.g. de markt verdient als het al geen miljoenen zijn tonnen aan spiritualiteit, d.m.v. boeken, blaadjes, trainingen etc.) zou ik stellen dat het afdoen van deze rotzooi als zijnde zweverig veeleer te maken heeft met de opkomst van de kritische wetenschap en filosofie, die dergelijke waandenkbeelden terecht naar de marge hebben verdrongen. Verder wijs ik op de kritiek van (wie anders dan...) Nietzsche op deze mensonterende Nee!-tegen-het-leven zeggende gedachten.

In hoofdstuk IV Levenskunst als Moraal van Zelfverantwoordelijkheid werd het voor mij als Nietzscheaan erg interessant, aangezien Dohmen hier ruim aandacht voor mijn lieve Wilhelm heeft.

De bespreking is interessant, goeddoordacht, en geeft naar mijn mening een goed beeld van Nietzsche's leven en leer. Wat mij hier echter tegenviel was het volgende. In het boek Hoe Men Wordt Wat Men Is van André van der Braak (zijn dissertatie) wordt kritiek gegeven op "(...) hedendaagse interpreten die dit aforisme uitleggen als een humanistisch pleidooi voor een voor iedereen beschikbare levenskunst. Zelfcreatie is geen contingent proces maar staat onder 'de dwang van één en dezelfde smaak'." Waar 'dit aforisme' §290 van Nietzsche's De Vrolijke Wetenschap is.
Dohmen is op de hoogte van deze kritiek, maar heeft het helaas (vooralsnog?) nagelaten zich te verdedigen en/of van der Braak op zijn fouten te wijzen. Daarentegen doet Dohmen precies wat van der Braak bekritiseert:

"Geen enkel mens heeft van nature een karakter meegekregen, hij moet dat zien te verwerven. Wij kunnen alleen door denken en doen, reflecteren en handelen onszelf vormen en hervormen gaandeweg het leven. (...) Nietzsche gaat echter niet uit van een oorspronkelijke natuur die moet worden verwerkelijkt." (p. 138) (Merk ook hier weer de penetrante tabula rasa-gedachte op!)

Ten eerste moet benadrukt worden dat de hele blank slate-gedachte niet nodig is om levenskunst van de natuur vrij te pleiten. Nature staat dermate in wisselwerking met nurture dat er zelfs met een aangeboren natuur nog genoeg te spelen valt.

Ten tweede een quote van Nietzsche over de herenmoraal:

"'Een hard hart legde Wodan mij in de borst', heet het in een oude Scandinavische sage: terecht zijn deze dichterlijke woorden uit de ziel van een trotse viking opgeweld. Dit type mens is er juist trots op niet geschapen te zijn voor het medelijden: de held van de sage voegt er dan ook waarschuwend aan toe 'wie niet al jong een hard hart heeft, bij hem wordt het nooit meer hard'." (Voorbij Goed en Kwaad, §260) Hiernaast moet worden opgemerkt dat Nietzsche het heeft over 'worden wat je bent'.

Lezing van dat en meer bracht mij tot de volgende conclusie, die ik hier leen uit mijn Homo Pluripotentus?:

"Nietzsche benadrukt alhier een statisch element. Blijkbaar koesterde zelfs de minst-systematische en meest-dynamische denker in zijn hart een klein plekje voor stilstand, voor essenties.

Het harde hart dat Wodan ons eventueel in de borst heeft gelegd, is een metafoor voor ons geboorterecht. Daarmee bedoelende dat wij niet geheel maakbaar zijn, maar juist óók op zoek moeten gaan naar hetgeen ons eigen is- vanaf onze geboorte.1 Vandaar ook het worden wie je bent- want als wij alles konden worden, essentieel gezien geen essentie(-s) hadden, zouden wij ook niets al-kunnen-zijn. Nietzsche benadrukt hier het spanningsveld tussen het dynamische en het statische in ons. Wij 'zijn' door onze geworpenheid, of, in Nietzsche's termen, op een bepaalde manier, als een bepaald 'type', 'geschapen', en dit bepaalt in hoge mate waarvoor wij al-dan-niet capaciteiten hebben. Als je niet als een bepaald type 'geschapen' wordt is het onmogelijk een ander type te worden- dat is het statische element in deze gedachtegang. Maar of je nou met een hogere of lagere natuur geboren wordt, er blijft werk te doen, want je karakter is nooit af- zie daar het dynamische element." (p. 23-4)

Ten derde voel ik mij verplicht de lezer erop te wijzen dat Dohmen §290 van De Vrolijke Wetenschap niet volledig quote (helaas ontbreken in Het Leven als Kunstwerk, evenals een notenapparaat, de daarvoor benodigde "(...)"). Dus op Nietzscheaans wijze raad ik ieder aan het volledige citaat erbij te pakken om vervolgens zijn eigen mening te vormen.

Zeer vruchtbaar en ook weer zeer praktisch zijn de verderop gestelde technieken voor de vormgeving van een 'eigen levenshouding,' waaronder: (1) De benadrukking van zelfzorg als zijnde holistisch: "Waarnemen, denken, voelen, willen en doen haken steeds op elkaar in, ze vormen een fundamentele samenhang. (...) De zelfzorg moet alle dimensies in beschouwing nemen." (p. 147) en
(2) De reeds besproken notie van zelfkennis: "Zelfkennis verwerf je door biografisch zelfonderzoek, dialoog, narrativiteit, en door de tegenstem van betekenisvolle anderen." (p. 148).

Dohmen's bespreking van "Verkeerde Levenshoudingen" (p. 154 e.v.) is ook uitermate interessant. Echter, de kritiek op het liberalisme laat te wensen over. Het lijkt soms alsof Dohmen ons een stroman voor wil schotelen, maar bij nader inzien is er sprake van een conflatie van twee noties van liberalisme. Ten eerste die van liberalisme als politiek/economisch systeem, geldig op meso/macro niveau (waar e.g. het 'no-harm principle' vandaan komt), en het liberalisme op sociaal alsook individueel niveau, dat zich inderdaad schuldig maakt aan het poneren van een (in de woorden van Dohmen) "almachtige autonomie" (p. 160).

Ook het volgende citaat verdient het hier te verschijnen:

"De vrije roker is degene die willens en wetens aan het roken de voorkeur geeft boven een gezond leven, terwijl de meeste rokers slechts de slaaf van hun begeerte zijn. Autonomie als vermogen betekent dat je jezelf kunt taxeren en evalueren en je verlangens en waarden indien nodig herziet en op grond van kritische overwegingen."

Dit correspondeert vrij goed met mijn eigen notie van 'doorleefde autonomie' het zelf waardebepalend zijn (zie hiervoor ook de eerdergenoemde §260 in Voorbij Goed en Kwaad). Een ietwat triviaal maar illustratief voorbeeld is het opmaken van je bed, zoals ik dat van huis uit altijd heb meegekregen:

"Op mijn kamer aangekomen, ontsnapt aan oneigenlijke invloeden, kon ik bij mijzelf nagaan in hoeverre ik het eigenlijk met deze dagelijkse ochtend-activiteit eens was. Vond ik het onzinnig, waardeloos? of kon ik er zelf nut in ontdekken, er vanuit mijzelf waarde aan toekennen? Ik experimenteerde aldus een tijdje met al dan niet opgemaakte bedden, en aangezien ik mijn bed veelal ook als bank gebruikte besloot ik uiteindelijk mijn bed wel op te maken. In gevallen van haast of luiheid echter, kan ik mijzelf deze activiteit wel makkelijk kwijtschelden. Het bed-opmaken bleek geen categorische imperatief, maar een context-afhankelijke handelingsmogelijkheid." (Homo Pluripotentus?, p. 20) Bij Dohmen's analyse van (de problemen van) de moderne tijd moeten echter wat vraagtekens worden gesteld. Dohmen maakt zich alhier mijns inziens schuldig aan een soort van doemdenken, het idee opperen dat het slecht gesteld is met de huidige tijd (zie voor een kritische analyse van dit soort denken ook Kluveld en Schalkx, 2007). Hieraan valt nogal te twijfelen.

Dohmen schrijft: "Moderne mensen kennen hun beperkingen niet en ze zijn geneigd om zichzelf voortdurend te overschatten. Ze hebben niet of slecht geleerd om hun emoties te beheersen en hebben vaak een kort lontje." (p. 177) Of dit representatief is voor de gehele 'moderniteit' vraag ik mij bij gebrek aan empirische gegevens ernstig af.

Verderop gebeurt hetzelfde als er wordt gesteld dat "[m-]oderne mensen gaan sneller over tot ernstige vormen van zinloos geweld." Wie kijkt naar de cijfers van het CBS (Bron van deze en volgende gegevens steeds: Website CBS) ziet echter dat het aantal geregistreerde misdrijven van 1994 tot 2006 lichtelijk gedaald is van 1.313.577 naar 1.218.447, en dat het aantal opgehelderde gewelds-misdrijven ruim is verdubbeld (sic), (binnen dezelfde tijdspanne) namelijk van 29.842 naar 65.231.

Daarna stelt Dohmen simpelweg: "(...) in Nederland zijn er de afgelopen tien jaar meer dan tweehonderdduizend mensen miljonair geworden. Ze zijn bezweken voor de verleiding tot zelfverrijking." (p. 178) De koopkracht is echter van 2000 tot 2005, op alleen het laatste jaar na, gestegen. Het gemiddelde vermogen van huishoudens is van 1993 tot 2000 lichtelijk gestegen. De statische koopkrachtontwikkeling vertoont sinds 1985 een stijgende lijn. Hebben de rest van de inkomensklassen zich dan niet ook schuldig gemaakt aan zelfverrijking, of heeft gewoon iedereen meegeprofiteerd van de stijgende welvaart?

Daarna weer een stukje cultuurrelativisme: "Wie in De Gouden Kooi een jaar lang de pesterij het best verdraagt, krijgt een miljoen. Hoezo: 'Onze cultuur is de beste?'" (p. 178) Een aanzet tot een antwoord op die (retorische) vraag durf ik als volgt te formuleren: "Omdat zo'n programma, hoe moreel verwerpelijk het (onder andere door ondergetekende) ook mag worden gevonden hier uitgezonden mag worden zonder dat daar (lijf-)straffen op volgen. Omdat homo's hier rechten hebben en mogen trouwen. Omdat hier een heel systeem van wetten heerst dat probeert de verschillende vrijheden van het individu en het collectief veilig te stellen. Omdat wij een scheiding van kerk en staat kennen. Omdat wij uitkeringen hebben. (&c. &c.)"

Verderop volgt nog een non sequitur, als Dohmen het eerst heeft over het ideaal van een leven lang leren, en "Het laatmoderne parool luidt: 'Alles is mogelijk.'" (p. 182), en vervolgens aankomt met het feit dat: "Een groot deel van onze huidige tijdsindeling is zwaar voorgeprogrammeerd." Dat neemt toch niet weg dat de mogelijkheden tot zelfontplooiing de afgelopen decennia enorm zijn toegenomen? Dohmen stelt steeds een kant van een probleem:
"Er gelden nog altijd verplichte leertijden." (p. 182) Maar is verplicht onderwijs (wanneer dan ook) geen grote verworvenheid? "Er zijn tal van systeemeisen waarin de tijdsfactor een grote rol speelt en waarbij nauwgezet berekend is hoeveel tijd er aan een bepaalde handeling mag worden besteed. Denk aan de zorgsector en aan het modulair onderwijs. (...) De docent aan de universiteit kan met de invoering van het (...) BaMa-stelsel zijn onderwijs niet vrijelijk kiezen....) " (p. 182) Maar tevens is er de vrijheid van patiënten zelf te bepalen wie hen helpt (persoonsgebonden budget), en kan ik met slechts één tussenjaar zometeen overstappen van Humanistiek naar Wijsbegeerte, dankzij hetzelfde BaMa-stelsel.

Ik probeer niet te zeggen dat de problemen die Dohmen op pagina 182 benoemt niet bestaan, maar dat hij ze eenzijdig neerzet. Aan de ene kant beperkingen, maar aan de andere kant meer vrijheid.

Dat ik zo sterk inga tegen Dohmen's analyses van onze moderne tijd, maakt het niet inconsistent als ik beweer dat ik zeer ver kan meegaan in zijn levenskunst-programma, met zijn minima moralia (p. 183). Ik acht die minima moralia (e.g. "neem tijd voor bezinning", "Bezin je op de context van je actuele levensvorm", "Bewaak de diepgang van je leven", "Oefen in geduld") ook zonder een te bestrijden verderfelijkheid van belang. Ook de metafoor van de jazz-band, waarbij zowel nadruk ligt op de deelnemers van de improvisatie, als op de interactie daartussen, acht ik hogelijk van toepassing. Tevens acht ik zijn stelling dat de mythe van de autonomie een factor is die meespeelt in het ongelukkig maken van de mens (p. 188) (zie met betrekking daartoe ook het interview met Trudy Deheu over de depressiegolf en haar gedachten daarover, in Vrij Nederland, nr 21, mei 2008).

Daarnaast treft ook de analyse van de spanning tussen autonomie en heteronomie de roos (p. 197). Dohmen stelt daar dat er zeker naar autoriteiten gekeken mag worden, mits men zich goed bewust is wie waarom om raad wordt gevraagd. "Niet omdat ik niet zelf durf te beslissen en zo gezagsgetrouw ben dat ik dat advies blind volg, maar omdat ik concludeer dat het in mijn situatie inderdaad gepast is om zo te doen." (p. 197) (cf. de notie van doorleefde autonomie).

Afsluitend moet het volgende worden gezegd. Voor de leek een zeer interessant boek, met veel informatie over de geschiedenis en de praktijk van de levenskunst door de millennia heen. Ook is het een goede weergave van de gedachten van grote denkers over dit onderwerp. Echter, het cultuurrelativisme, het tabula rasa-denken, en de analyse van de moderne maatschappij zijn grote misstappen. Dit neemt niet weg dat Dohmen's levenskunst-programma veel te bieden heeft en goed doordacht is. Wie zelf durft na te denken en belangstelling heeft voor het onderwerp moet dit boek zeker openslaan.

Mattijs Glas (2008)

Bronnen:
Braak, A van der (2004) Hoe Men Wordt, Wat Men is. Uitgeverij Damon: Budel.
CBS over Criminaliteit. Gevonden op dinsdag 3 juni 2008.
CBS over Koopkracht. Gevonden op dinsdag 3 juni 2008.
CBS over het Vermogen van Huishoudens. Gevonden op dinsdag 3 juni 2008.
CBS over Statische Koopkrachtontwikkeling. Gevonden op dinsdag 3 juni 2008.
Cliteur, P. (2004) God Houdt Niet van Vrijzinnigheid. Bert Bakker: Amsterdam.
Dohmen, J. (2008) Het Leven als Kunstwerk. Stichting Maand van de Filosofie.
Glas, M. (2007) Homo Pluripotentus?¿ (Bachelorscriptie Humanistiek).
Kluveld, A, en Schalkx, R. (2007) "De angst voor een wilde horde cultuurlozen" in Trouw, zaterdag 23 juni. Ook te vinden via www.liberales.be Gevonden op 22 mei 2007.
Möring, M. (2006) Lijdenslust. Stichting Maand van de Filosofie.
Nietzsche, F. (1882, 2003) De Vrolijke Wetenschap. Amsterdam: Arbeiderspers.
Nietzsche, F. (1886, 2004) Voorbij Goed en Kwaad. Amsterdam: Arbeiderspers.
Pinker, S. (2002) The Blank Slate. New York: Viking.

Terug naar boven / Back to top




plaatje Klik hier voor een kort maar krachtig overzicht van interessante boeken met betrekking tot het moderne darwinisme.


Klik hier voor een essay over de zoektocht van de sociobiologie en de evolutionaire psychologie naar de (schijnbare) tegenstelling van altruïsme & samenwerking en de zo gevreesde 'nature red in tooth and claw'.


Terug naar boven / Back to top


(In gewijzigde vorm eerder verschenen in: Ons Utrecht, 40e jaargang, #49, woensdag 3 december)

Poëzie die het wachten waard is


Toen ik dit zag - Rutger Kopland
Amsterdam: Van Oorschot (2008)


plaatje De nieuwe bundel van Kopland is uit. Vier jaar wachten, maar het was het waard. Geduld is een schone zaak, zo blijkt eens te meer.

De welbekende onofficiële dichter des vaderlands (die titel weigerde hij) heeft het weer voor elkaar. En beter, afgewogener, strakker dan ooit. Het is allemaal weer typisch Kopland, maar perfecter dan voorgaand werk. Als vier jaar wachten dit oplevert, wat zou acht jaar dan opleveren? Wellicht merken we het in 2016!

Voor Kopland, zo blijkt uit de gedichten, blijft de wereld iets majestueus, bijna mysterieus hebben. De spanning tussen die twee brengt hij in zijn gedichten tot uitdrukking, maar altijd zoekend, altijd twijfelend: "ik denk dat ik zag/wat ik voelde."

De gedichten zijn sterk visueel van karakter - beschrijvingen van ansichtkaart, schilderij en tuin spelen een belangrijke rol. De grote vraag die Kopland ons via zijn gedichten stelt, is die naar de mogelijkheid van beschrijvingen. Vallen de gevoelens en gebeurtenissen die wij meemaken in woorden uit te drukken? Kopland zweeft tussen de mogelijke antwoorden. Zoals hij zelf eerst zegt: "dat is wat wij zien - dat/iets niet geschreven kan worden." En daarmee doet hij zijn eigen beschrijvingen niet teniet, maar hij geeft ze juist meer nadruk, meer zeggingskracht, door de moeilijkheid van zijn pogingen duidelijk te maken. Misschien is het ook daarom dat hij het persoonlijke karakter uitbeeldt door middel van de vele ikken die in zijn gedichten kijken, voelen, of luisteren.

Aan het feit dat de dichter in een auto-ongeluk terecht is gekomen wordt aandacht besteed in het gedicht De Dokter: "hij keek mij aan en hij zei/hier mag u niet blijven/ze komen u halen" Om meteen daarna te verhalen over de ondanks zijn afwezigheid onveranderde tuin: "voor haar ben ik niet weggeweest." Hier verandert de genoemde twijfel in zekerheid. In gesprekken en luisterend naar een merel, omdat die ook wat nuttigs te zingen heeft, komt Kopland langzaam tot antwoorden op zijn vragen: "je zou willen weten wat voorbij daar is/voorbij het steeds maar weer zichtbare zelfde." Op het pad dat naar het antwoord leidt, helpen de natuur, een roeiboot en het grensland de dichter in zijn overwegingen. Het prachtige antwoord, dat het majestueuze en het mysterieuze verenigt, geeft Kopland in de laatste zin van het laatste gedicht: "het geheim van de wereld is het zichtbare/niet het onzichtbare."

Deze speurtocht, die het onschrijfbare probeert te beschrijven, kan geen poëzieliefhebber (behalve misschien in afwachting van 2016) links laten liggen.


(Zie over het lezen van deze dichtbundel ook het gedicht Het heeft geen zin....)


(c) 2008 MATTIJS GLAS.


Terug naar boven / Back to top


(In gewijzigde vorm eerder verschenen in: Ons Utrecht, 40e jaargang, #44)

De spitsvondigheden van Georges Perec

Ruimten Rondom - Georges Perec
Amsterdam: Arbeiderspers.
Tweede, herziene druk, oktober 2008
Vertaling: Rokus Hofstede


plaatje Toen ik ongeveer drie jaar geleden mijn eerste boek van Georges Perec las, was ik meteen verkocht. Zodanig verkocht, dat ik mijzelf een lees-beperking oplegde, uit angst alles achter elkaar door te verslinden. Er is natuurlijk maar één eerste keer! Na tien lange jaren is er deze week eindelijk een herdruk verschenen van Perec's Ruimten Rondom, waar ik, tien uur nadat ik hem gekocht had, klaar mee was. Mijn lees-beperkingen zijn er dus niet voor niets!

Perec is een ongeëvenaarde taalkunstenaar, en daarin een gigant. Bedreven in kruiswoordpuzzels en het beperkt-schrijven. Zijn magnum opus in die laatste schrijfstijl is een boek waarin de letter 'e' geen enkele keer voorkomt (laatst kwam ik te weten dat dit boek volgend jaar onder de veelzeggende titel 't Manco verschijnt).

Elk boek blaakt van spitsvondigheden en originaliteit. Kwaliteiten die hij in dit boek toepast om het vanzelfsprekende voor ons bijzonder te maken. Dit doet hij door middel van verschillende stijltechnieken, die hij steeds toepast op een ander soort ruimte: Door het verticaal schrijven van het woord 'verticaal',
door een nieuwe alinea te beginnen, door het ophalen van herinneringen van specifiek alleen slaapkamers en alles wat daarvoor door kan gaan, door het zoeken naar een niet-functionele ruimte, door het maken van een chronologische lijst van activiteiten, om die per functionele ruimte (bad-, huiskamer) te categoriseren, door het geven van doe-, kijk- en luisteropdrachten (bezoek je buren eens, kijk of jullie woningen congruent zijn), het citeren van een reisgids, het beschrijven van de geschiedenis van het trappenhuis, het uitdrukken van een locatie in breedte- en lengtegraden enzovoorts (hij dwingt zichzelf ook ergens het woord enzovoorts te vermijden). Zo laat hij ons inzien dat bladzijden, appartementen, steden, landen, landsgrenzen, maten en meer, meer in petto hebben dan wij met onze alledaagse blik denken te zien.

Soms is het absurd ('We zouden moeten leren meer in het trappenhuis te leven. Maar hoe?'), soms is het schrijnend, soms is het een liefdesgedicht onder het mom van een kladbrief, en soms een speurtocht naar vervlogen tijden. Maar altijd is het verrassend, altijd is het iets anders dan je zelf denkt, iets anders dan je zelf ziet.
Wie in is voor iets nieuws, iets anders, iets speciaals, mag dit boek zeker niet laten liggen!

P.S. 't Manco is onlangs verschenen, en ligt nu in de winkel!!

Terug naar boven / Back to top





Self Expressions: Mind, Morals, and the Meaning of Life - Owen J. Flanagan

plaatjeAfter Consciousness Reconsidered (CR) this was a natural second... Nice essays, well written, some typing/printing errors...
Some reemphasis on his 'natural method' (combining/integrating phenomenology, psychology, cognitive science and neurology, which seems quite decent!). It has to be said that the content of the first few essays can also be found in CR. Some further (new) essays on personal identity, dreams and their meaning/function, MPS, a real nice anti-Freud ('repressed memories') essay making the potential social/judicial problems quite clear, telling lies/other minds, and a real real nice essay saying some very interesting things and making very good suggestions about 'ethics naturalized', some Taylor-bashing (nice to read), teaching children hard lessons concerning realism, fallibilism and having them live with that, beyond security, but with insight!
All in all a collection of essays, some of which are really nice, some are simply nice to read, and some just don't interest me much. But that doesn't mean somebody else couldn't me thrilled by them!
If you like the subjects, most of it will be an attractive read.

(c) 2008 MATTIJS GLAS.



Terug naar boven / Back to top





An Anthropologist on Mars - Oliver Sacks

plaatje Terrific book by probably the worlds best known neurologist. Stories on color-blindness, amnesia, gilles-de-tourette, exceptional memories, child prodigies and (a lot on) autism. Brings a tremendous amount of insight, neurological detail mixed with his infamous human approach. About that. Sometimes (I think) he tends to overemphasize or overestimate the importance of the 'human condition' for specific inabilities. Despite those 'flaws', there is, of course, also the intellectual/esthetic/human side to the stories, which he doesn't necessarily describe with anything like 'amazing insight' or somethings sometimes attributed to him, but the descriptions as they are, being just descriptions, sometimes touch places of emotion usually asleep.

To sum up: Sacks shows he's read a diverse array of books, delivers neurology as well as drama and story-telling, and knows how to amaze.


(c) 2008 MATTIJS GLAS.



Terug naar boven / Back to top





Iemand, niemand en honderdduizend - Luigi Pirandello

plaatje Nice, strange, intriguing book. The dutch translations (original version was Italian) sometimes has awkward sentences, but not too awkward to deal with. Really philosophical subject which reminded me of Sartre and postmodernism - stresses the multifacetiousness of reality, how everyone (supposedly) has a different, unique, worldview. Also stresses the importance of the Other for the Self, for the Subject, who needs others to be. But the subject of this book, Moscarda, wants to escape that necessity and be nothing, wants to be freed from the other's opinions, which is a difficult thing to attain. Thus, the book can be read as a sort of philosophical thought-experiment (although it's not exactly clear which thought this book is an experiment of...). It took Pirandello ten years to write, which shows in the intelligence behind it. Pirandello also uses various unique stylistics, he plays with the titles of the chapters which he integrates into the first-persons narratives, and sometimes inconventionally uses lists to enhance the philosophical character of the story. One reviewer stresses that rereading the book enhances the appreciation, but one read gives you more than enough stimulation to get the feeling you haven't wasted your time.

(c) 2008 MATTIJS GLAS.



Terug naar boven / Back to top





Darkness Visible: A Memoir of Madness - William Styron

Short (+/- 100 p.) autobiographical memoir of an ex-depressive. Styron has gone through the worst, with suicide lingering continuously in his mind. but he survived to write this account. It's a mix of autobiography, medical literature, and literary criticism. He discusses artists with depression, why depression should be considered a MAJOR illness, the thousandfold questions medical science still has concerning it and lots more. The books' based on a lecture, but onfolded itself to become a large essay. The writing is deeply literary, with beautiful sentences and imagery, but it stays close to the cold harsh reality of depression. Because depression is virtually un-understandable for outsiders, Styron decided to write this account to enhance a true understanding of this life-threatening disease. Because a disease it is. And he proves just that. Gripping.

A 'should-be-read' book!

(c) 2008 MATTIJS GLAS.



Terug naar boven / Back to top





Prutswerk. Veertig klachten aan de schepper - Piet Vroon

Short (120 p.) book, contains a 74p. essay by dutch psychologist/philosopher Piet Vroon (1939-1998) about evolution and theoretical problems therewith. Second part of the book contains the 40 'complaints against the creator', being an illustrated (photo's) list of 40 'malfunctioning' physiological details: the waste of sweating, the absence of a tail, the useless mandibular third molar (wisdom tooth) etc. etc. Sometimes a little farfetched or not up-to-date. Vroon's essay is loosely written and not too much fun for anyone who has ever read anything else of this author. The largest part of the essay discusses the pro's and cons of the (Morgan's) 'aquatic ape theory'.

Conclusion: Informative for the layperson.

(c) 2008 MATTIJS GLAS.



Terug naar boven / Back to top





And the Hippos Were Boiled in Their Tanks - William S. Burroughs & Jack Kerouac.

Fictionalized account of Kerouac and Burrough's involvement with the murder of David Kammerer by Lucien Carr... Nicely written.. they wrote alternating chapters both from a different person's (fictionalized) viewpoint.. enjoyable for a trainride perhaps.. light reading. I felt myself obliged to read it, having read almost everything Kerouac wrote... but for the non-excessive fans: it isn't required beat reading..

(c) 2008 MATTIJS GLAS.



Terug naar boven / Back to top





Being There: Putting Brain, Body, and World Together - Andy Clark

plaatje Very informative read. Clark stresses the importance of the environment for thinking, or actually for not-having-to-think. If you use the environment appropriately, he states, you can get away with much less thinking than is generally assumed. As he himself states: "We use intelligence to structure our environment so that we can succeed with LESS intelligence. ... we are smart after all - but our boundaries extend further out into the world than we might have initially supposed."
His second thesis is that there are many ways to get organisms/structures/organisations working (& thinking) without the need for a CPU or any other centralised thinking-res. This to get away from the I-am-One perspective. Intelligence can be divided over multiple non-agents, appropriately coordinated so as to look/act like having a central thinker.

The only downside to this book that I can think of (maybe,) is that Clark hasn't given a lot of himself, the book looks more like a long description of secondary literature, in which Clark summarizes a lot of recent work on embodied cognition, integrating it in a big framework, which already exists, but hasn't been given a proper place in the scientific firmament yet. Clark gives it a very proper place though.

(c) 2008 MATTIJS GLAS.



Terug naar boven / Back to top





Unweaving the Rainbow: Science, Delusion and the Appetite for Wonder - Richard Dawkins

plaatje After reading Dawkins' first five books on evolution (which become very repetitive, though he manages to keep it fun!) this was a nice change. Dawkins writing on the subject of science in general.. of course very well written... discusses the supposed barrier between science and poetry... some myth-bashing... basically a very fun and at the same time very interesting read! get it!


(c) 2008 MATTIJS GLAS.



Terug naar boven / Back to top





The Astonishing Hypothesis: The Scientific Search for the Soul - Francis Crick

plaatje Very interesting.. but if you already know some neurobiology or AI this is bound to be repetitive, as it is a book written mainly for the lay reader. Not to say I didn't learn many great new details. Good approach too. But some flaws scientists typically make when they think they can bypass philosophical questions...
First a topic-per-chapter introduction to the study of mind, then he aims his focus on the study of visual awareness... very nice writing too.... Crick has a very reductionistic mindset.. which suits me just fine.. find out how comfortable you are with it yourself!

(c) 2008 MATTIJS GLAS.



Terug naar boven / Back to top





An Enquiry Concerning Human Understanding - David Hume

I was overwhelmed by this philosopher... who writes like a writer! Great language, great examples, nice points, especially the free will part & the epicurean conversation.. Humes empiricism is weak and backwards as empiricism usually is. But: great book. It belongs on your shelf too!!

(c) 2008 MATTIJS GLAS.



Terug naar boven / Back to top





Modern Epistemology: A New Introduction - Nicholas Everett & Alec Fisher

Nice introduction to the field.. Great clarity in explaining.. but it isn't objective, as the authors themselves state.. Bashing foundationalism in favor of coherentism.. and doing a nice job!
(c) 2008 MATTIJS GLAS.



Terug naar boven / Back to top





The Scripture of the Golden Eternity - Jack Kerouac

As philosophy this doesn't do much good.. but as poetry it's perfect.. some very enjoyable stuff. typically Kerouacean humor etc.. Fast-fast read....
(c) 2008 MATTIJS GLAS.



Terug naar boven / Back to top